<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:2438</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-29T08:33:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/1798 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2438">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2438</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-24T14:48:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:2438 Centrale Raad van Beroep , 09-07-2019 / 18/1798 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:2438:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking en terugvordering bijstand in verband met niet gemelde werkzaamheden en niet wonen op het uitkeringsadres.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:2438:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>18</nr>1798 PW-PV</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 9 juli 2019 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 maart 2018, 17/3491 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Deurne (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting hebben: A. Stehouwer, Y.J. Klik en M.F. Wagner</para>
      <para>Griffier: E. Stumpel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2019. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Appellant ontving bijstand en stond ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] (uitkeringsadres). Het college heeft bij besluit van 9 november 2016 de bijstand van appellant over de periode van 11 mei 2015 tot en met 15 juni 2015 (periode) en met ingang van 10 oktober 2016 ingetrokken. Bij dat besluit heeft het college ook de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.441,16 van appellant teruggevorderd. Aan de intrekking over die periode heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van verrichtte werkzaamheden voor [bedrijf] , als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Aan de intrekking met ingang van 10 oktober 2016 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen duidelijkheid te bieden over zijn woonsituatie, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij beslissing op bezwaar van 21 december 2017 heeft het college het besluit van 9 november 2016 gehandhaafd.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>3. De beroepsgrond dat appellant de voor [bedrijf] verrichtte werkzaamheden heeft verricht in het kader van een stage slaagt niet. Ook tijdens een stage verrichtte werkzaamheden kunnen immers worden aangemerkt als op geld waardeerbare werkzaamheden. Hiervoor had appellant een vergoeding kunnen bedingen. Appellant heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij voor die werkzaamheden geen vergoeding heeft ontvangen. Door van deze werkzaamheden geen melding bij het college te maken heeft appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij, als hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de periode wel recht op bijstand zou hebben gehad. Appellant heeft immers geen duidelijke en verifieerbare gegevens overgelegd over de ontvangen vergoeding. Het recht op bijstand kan daarom over die periode niet worden vastgesteld. </para>
    <para />
    <para>4. De beroepsgrond van appellant dat hij wel hoofdverblijf op het uitkeringsadres had slaagt evenmin. Uit de ambtsedige bevindingen van het huisbezoek blijkt immers onder meer dat op het uitkeringsadres geen koelkast, geen bed, maar enkel een matras zonder lakens of dekens en geen andere levensmiddelen dan een pak rijst, oploskoffie en thee zijn aangetroffen. Enkele kledingstukken van appellant hingen in een plastic zak aan de kapstok. Dat appellant wilde verhuizen verklaart deze bevindingen onvoldoende. Appellant was immers nog niet verhuisd. Verder blijkt uit de gegevens van het waterverbruik dat sprake was van een laag waterverbruik op het uitkeringsadres. Uit de door appellant aangevoerde omstandigheid dat hij in de buurt van het uitkeringsadres regelmatig pinbetalingen verricht bij supermarkten volgt niet dat appellant op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had. </para>
    <para />
    <para>5. Het hoger beroep slaagt niet. </para>
    <para />
    <para>6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier			De voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) E. Stumpel	(getekend) A. Stehouwer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>