<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:2282</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-16T11:37:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/9 WW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2282">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2282</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-15T09:02:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:2282 Centrale Raad van Beroep , 27-06-2019 / 19/9 WW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:2282:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De gevraagde uitkeringsperiode ligt meer dan 26 weken voor de datum van indiening van de WW-aanvraag. Hoofdregel in de eerste volzin van artikel 35 van de WW. De rechtbank heeft deze hoofdregel op de juiste manier toegepast. De rechtbank heeft ook op de juiste manier getoetst. Terechte conclusie dat geen sprake was van een bijzonder geval.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:2282:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>19</nr>9 WW-PV </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 november 2018, 18/1336 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 27 juni 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: mr. A.I. van der Kris </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Griffier: M.A.E. Lageweg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019. Namens appellante is verschenen [naam echtgenoot appellante], haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 28 juli 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) per 1 oktober 2007 en een toeslag toe te kennen op de grond dat appellante niet in de 36 weken voordat zij werkloos werd in ten minste 26 weken heeft gewerkt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 juli 2017 is bij beslissing op </para>
        <para>bezwaar van 18 januari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat een eventueel recht op een WW-uitkering niet eerder zou kunnen zijn ingegaan dan op 19 december 2007, na afloop van haar uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) en in ieder geval zou zijn geëindigd op 12 maart 2008 in verband met haar vertrek naar Egypte. De uitkering wordt niet betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering wordt ingediend. Het Uwv is bevoegd in bijzondere gevallen hiervan af te wijken. De periode van 19 december 2007 tot 12 maart 2008 ligt meer dan 26 weken voor de datum van indiening van de WW-aanvraag. Het is het Uwv niet gebleken dat er sprake was van een bijzonder geval. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft dit gedaan onder verwijzing naar artikel 35 van de WW.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Artikel 35 van de WW luidt als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitkering wordt niet betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste zin.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de datum van indiening van de WW-aanvraag </para>
        <para>20 juli 2017 is. Ook is tussen partijen niet in geschil dat het gaat om een uitkering over de periode van 19 december 2007 tot 12 maart 2008. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Deze uitkeringsperiode ligt meer dan 26 weken voor de datum van indiening van de  WW-aanvraag. Volgens de hoofdregel die is neergelegd in de eerste volzin van artikel 35 van de WW komt de uitkering dan ook niet tot uitbetaling. De rechtbank heeft deze hoofdregel op de juiste manier toegepast. De rechtbank heeft ook op de juiste manier getoetst of sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in de uitzonderingsbepaling neergelegd in de tweede volzin van artikel 35. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat geen sprake was van een bijzonder geval. Het Uwv was dus niet bevoegd om de uitkering, ondanks dat de uitkeringsperiode meer dan 26 weken voor de datum van de aanvraag lag, toch uit te betalen.  </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier	Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(getekend) M.A.E. Lageweg	(getekend) A.I. van der Kris</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>CVG</title>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>