<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:2213</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-10T15:36:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18-2917 AW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2213">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2213</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-09T13:44:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:2213 Centrale Raad van Beroep , 10-05-2019 / 18-2917 AW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:2213:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigering om appellante op grond van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet bezwarende functie (Tijdelijke regeling) arrangement C toe te kennen. De Raad, net als de minister en de rechtbank, komt tot de conclusie dat appellante niet voldoet aan de criteria van de Tijdelijke regeling. Geen beroep op het vertrouwensbeginsel. Geen beroep op het rechtszekerheidsbeginsel. Er is geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:2213:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>18</nr>2917 AW-PV </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 april 2018, 17/1902 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 10 mei 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting hebben: C.H. Bangma als voorzitter en T. Avedissian en A. Beuker-Tilstra als leden.</para>
      <para>Griffier: E. Stumpel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
      <para>mr. drs. C.M. Prade en A. Rekker. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 24 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juni 2017, heeft de minister geweigerd om appellante op grond van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet bezwarende functie (Tijdelijke regeling) arrangement C toe te kennen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3339) kan uit de volstrekt heldere tekst van artikel 3a van de Tijdelijke regeling niet anders worden afgeleid dan dat het de bedoeling van de regelgever en de strekking van de Tijdelijke regeling is dat de ambtenaar in een substantieel bezwarende functie, die verplicht van-werk-naar-werk-kandidaat is, aanspraak maakt op een loopbaanpremie als aan hem in de eerste zes maanden als verplichte van-werk-naar-werk-kandidaat eervol ontslag op eigen verzoek wordt verleend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken blijkt dat appellante is aangemerkt als verplichte van-werk-naar-werk-kandidaat. Verder concludeert de Raad dat geen sprake is van een ontslag op eigen verzoek, maar van een overplaatsing. Appellante heeft namelijk een andere baan gevonden binnen de Rijksoverheid, wat moet worden aangemerkt als een overplaatsing. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en daarbij gewezen op de uitlatingen van collega’s. De Raad ziet hierin geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijk toezegging, waaraan appellante een gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt ook niet. Appellante had redelijkerwijs kunnen verwachten dat het eerdere besluit van 21 juli 2016 onjuist was. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder vindt de Raad dat geen sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid. De Raad is het eens met de rechtbank dat er sprake is van een objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid in het feit dat voor een verplichte van-werk-naar-werk-kandidaat vaststaat dat diens functie komt te vervallen. Medewerkers kunnen zo uitstromen naar een niet substantieel bezwarende functie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de Raad, net als de minister en de rechtbank, tot de conclusie komt dat appellante niet voldoet aan de criteria van de Tijdelijke regeling. </para>
      <para>Het hoger beroep slaagt daarom niet. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geen aanleiding bestaat voor een veroordeling in de proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier		De voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) E. Stumpel		(getekend) C.H. Bangma</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>md</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>