<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:2205</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-09T13:49:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/3982 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2205">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2205</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-09T11:56:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:2205 Centrale Raad van Beroep , 26-06-2019 / 17/3982 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:2205:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Grotendeels herhaling bezwaar- en beroepsgronden. Oordeel rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Geen aanleiding voor oordeel dat de beoordelingen verzekeringsartsen Uwv onzorgvuldig zijn geweest of dat de medische situatie onjuist is ingeschat. Ook in hoger beroep geen objectief medische gegevens die onderbouwen dat arbeidsbeperkingen zijn onderschat.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:2205:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>17</nr>3982 WAO</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 26 juni 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van </para>
      <para>11 april 2017, 16/3371 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr. P.A.J. van Putten, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft nadere stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2019. Namens appellante is mr. Van Putten verschenen. Het Uwv is niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante is per 27 april 1999 uitgevallen voor haar werk als servicemedewerkster benzinestation voor 30,80 uur per week in verband met psychische klachten en later ook nekklachten. Appellante heeft in de periode 25 april 2000 tot 5 augustus 2010 afwisselend al dan niet een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij besluit van 4 juni 2010 wordt appellante per 5 augustus 2010 minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht voor de WAO. Zowel het door appellante ingestelde bezwaar tegen de beslissing van 4 juni 2010 als het ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar, als het tegen de uitspraak in beroep ingestelde hoger beroep is ongegrond verklaard (zie de uitspraak van de Raad van 8 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3682). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Appellante heeft het Uwv op 6 februari 2015 verzocht om een herbeoordeling in verband met toegenomen beperkingen als gevolg van chronische hoofdpijn, dagelijks medicijngebruik en toegenomen hulpbehoefte. Bij besluit van 29 oktober 2015 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering. Bij besluit van 8 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, omdat appellante ten opzichte van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 februari 2010 niet toegenomen arbeidsongeschikt wordt geacht. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Appellante heeft gesteld dat haar beperkingen onvoldoende in ogenschouw zijn genomen. Voor een onderbouwing van haar standpunt heeft zij gewezen op een CIZ-indicatie van 22 mei 2013 waaruit blijkt dat appellante onder andere huishoudelijke hulp, alsmede persoonlijke begeleiding ontvangt. Tevens heeft appellante gewezen op een medisch en arbeidskundig belastbaarheidsonderzoek van A-REA van 27 oktober 2017. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In hoger beroep ligt ter beoordeling voor of het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een WAO-uitkering. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is voor een groot deel een herhaling van wat zij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de beoordelingen door de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig zijn geweest of dat de medische situatie van appellante onjuist is ingeschat. Appellante heeft ook in hoger beroep geen objectief medische gegevens ingebracht waaraan aanknopingspunten zijn te ontlenen voor haar standpunt dat haar arbeidsbeperkingen zijn onderschat. Het indicatiebesluit van 22 mei 2013 kan niet als een objectief medisch gegeven worden aangemerkt. Appellante heeft geen inzicht verschaft in de medische gegevens die het CIZ aan het indicatiebesluit ten grondslag heeft gelegd. Bij het afgeven van een indicatiebesluit voor AWBZ-zorg worden verder andere criteria gehanteerd dan bij een <?linebreak?>WIA-beoordeling. Uit het onderzoek van A-REA is voorts niet af te leiden dat er ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. In dit verslag wordt vermeld dat, als rekening wordt gehouden met de beperkingen van appellante, ze fulltime inzetbaar is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Omdat het hoger beroep niet slaagt, zal het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade worden afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door R.B. Kleiss, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. <?linebreak?>De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) R.B. Kleiss</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) D.S. Barthel </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>KS</title>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>