<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:2047</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-01T11:23:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/6181 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2047">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2047</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-28T14:48:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:2047 Centrale Raad van Beroep , 18-06-2019 / 17/6181 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:2047:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet meewerken aan huisbezoek. Geen aanleiding om niet uit te gaan van wat in het verslag over het huisbezoek en de verstrekte informatie is opgenomen. Niet meewerken is appellant toe te rekenen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:2047:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>17</nr>6181 PW-PV</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 18 juni 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2017, 17/4288 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het Drechtstedenbestuur (bestuur)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: F. Hoogendijk</para>
      <para>Griffier: V.Y. van Almelo</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Namens appellante is </para>
      <para>mr. I. van Baaren, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. van Zwieten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Appellant heeft in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de hem verstrekte bijstand in een gesprek op 20 maart 2017 geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een aansluitend huisbezoek op het uitkeringsadres en geweigerd het gespreksverslag van dat gesprek te lezen en te ondertekenen. Het bestuur heeft hierin aanleiding gezien om bij besluit van 20 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 juni 2017 (bestreden besluit), de bijstand van appellant te beëindigen met ingang van 20 maart 2019. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant de medewerkingsverplichting, zoals neergelegd in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet, niet is nagekomen.<?linebreak?></para>
    <para>2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.<?linebreak?></para>
    <para>3. Appellant heeft hiertegen aangevoerd dat hem niet is te verwijten dat hij niet aan het huisbezoek heeft meegewerkt, omdat hij lijdt aan psychische problemen, in het bijzonder op het vlak van agressieregulatie. Het verzoek om medewerking te verlenen aan het huisbezoek is volgens appellant - voor zover dat daadwerkelijk is gedaan, wat hij betwijfelt - bij hem niet doorgedrongen. De oorzaak daarvan was een enorme boosheid, die was ontstaan tijdens het gesprek doordat appellant zich onheus bejegend voelde door medewerkers van het bestuur. Die hielden hem foutieve informatie voor, bijvoorbeeld dat hij was gezien bij het adres van zijn vriendin, terwijl alleen de door hem gebruikte auto was gezien. Ook meende appellant dat zijn woorden werden verdraaid. Daardoor was hij van streek geraakt, zodat hij niet meer adequaat kon reageren.  <?linebreak?></para>
    <para>4. Deze beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Volgens het verslag van het gesprek op 20 maart 2019 dat niet door appellant, maar wel door de toezichthouders, is ondertekend, hebben de toezichthouders appellant duidelijk verzocht mee te werken aan een huisbezoek en hebben zij appellant uitgelegd wat het gevolg zou zijn van het niet meewerken aan het huisbezoek. Volgens het verslag heeft appellant verklaard dat hij dit heeft begrepen. Verder heeft appellant volgens het verslag verklaard dat hij niet meewerkt omdat zijn uitkering toch wel wordt gestopt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Geen aanleiding bestaat om niet uit te gaan van de juistheid van de weergave van het gesprek in het verslag. Uit dat verslag is af te leiden dat appellant zich wel realiseerde wat van hem werd verwacht. Appellant heeft er desondanks, om hem moverende redenen, voor gekozen om niet aan het huisbezoek mee te werken. Voor zover appellant inderdaad door boosheid niet de meest verstandige houding heeft aangenomen tegenover de medewerkers van het bestuur komt dit voor zijn rekening en risico. Niet is gebleken dat hem die houding niet is aan te rekenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Vaststaat dat het bestuur, gelet op de onderzoeksbevindingen, zonder huisbezoek niet kon vaststellen wat de feitelijke woon- en leefsituatie van appellant was. Of appellant nog recht op bijstand had was daardoor niet te beoordelen.<?linebreak?></para>
      <para>5. Hieruit volgt dat het bestuur terecht de bijstand met ingang van 20 maart 2019 heeft beëindigd op de grond dat het recht op bijstand niet langer was vast te stellen, doordat appellant weigerde mee te werken aan het huisbezoek.</para>
      <para />
      <para>6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		De voorzitter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>(getekend) V.Y. van Almelo		(getekend) F. Hoogendijk</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>