<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:2041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-01T11:17:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/1140 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2041">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-28T14:37:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:2041 Centrale Raad van Beroep , 18-06-2019 / 18/1140 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:2041:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekken na opschorten. Niet teruggestuurde formulieren.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:2041:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>18</nr>1140 PW-PV</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 18 juni 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 januari 2018, 17/3879 (aangevallen uitspraak) </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [Appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: F. Hoogendijk</para>
      <para>Griffier: V.Y. van Almelo</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Namens appellante is </para>
      <para>mr. M. Gümüs, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De Svb heeft bij besluit van 1 mei 2017 (opschortingsbesluit) het recht van appellante op een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling) met ingang van 3 april 2017 opgeschort met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet (PW). De Svb heeft appellante tweemaal verzocht - bij brieven van 2 februari 2017 en 14 maart 2017 - om het formulier “Verblijf en vermogen buiten Nederland” (formulier) binnen vier weken ingevuld terug te sturen. Appellante had daartoe uiteindelijk tot 3 april 2017 de tijd. De Svb heeft appellante bij het opschortingsbesluit nog tot 15 mei 2017 de gelegenheid gegeven om het formulier alsnog ingevuld terug te sturen. Zij heeft het formulier niet binnen die hersteltermijn teruggestuurd. Tegen het opschortingsbesluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Dat staat daardoor in rechte vast.</para>
    <para />
    <para>2. De Svb kan ingevolge artikel 54, vierde lid, van de PW de AIO-aanvulling intrekken als het verzuim op grond waarvan de AIO-aanvulling is opgeschort niet binnen de daarvoor gestelde termijn wordt hersteld. De Svb heeft bij besluit van 19 mei 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juni 2017 (bestreden besluit), op die grond de AIO-aanvulling van appellante met ingang van 4 april 2017 ingetrokken. Appellante heeft het formulier alsnog ingevuld teruggestuurd op 31 mei 2017.</para>
    <para />
    <para>3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard. Appellante heeft daartegen aangevoerd dat haar niet kan worden verweten dat zij het formulier niet binnen de gestelde termijn heeft teruggestuurd. Deze beroepsgrond slaagt niet.<?linebreak?></para>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Appellante heeft in dit verband gesteld dat zij de brieven van 2 februari 2017 en de rappelbrief van 14 maart 2017 niet heeft ontvangen. De ontvangst daarvan is hier echter, gelet op het opschortingsbesluit, dat in rechte vaststaat, niet aan de orde. Appellante heeft in hoger beroep tevens gesteld dat zij het opschortingsbesluit niet heeft ontvangen. Zij heeft die stelling echter niet aannemelijk gemaakt. In dit verband is van betekenis dat zij niet heeft betwist dat het opschortingsbesluit op juiste wijze aan haar adres is verzonden en tevens dat zij ter zitting van de rechtbank bij herhaling heeft verklaard dat zij dat besluit wel heeft ontvangen. De enkele bewering dat zij rond de tijd is beroofd, wellicht ook van het opschortingsbesluit, doet daaraan niet af. Hetzelfde geldt voor haar niet onderbouwde stelling dat door een veelheid aan brievenbussen op haar adres brieven wel eens verkeerd worden bezorgd. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Appellante heeft verder in dit verband naar voren gebracht dat zij, zoals zij stelt, op leeftijd is, slecht ter been is, diverse medische klachten heeft en de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Deze omstandigheden brengen echter niet mee dat haar van het niet tijdig terugsturen van het formulier geen verwijt is te maken. Met die omstandigheden is immers niet verklaard waarom zij niet tijdig het formulier heeft ingestuurd dan wel met de Svb contact heeft opgenomen om haar belemmeringen te bespreken. Daarbij komt dat niet is gebleken dat appellante zich niet eerder dan zij heeft gedaan heeft kunnen laten bijstaan door een derde.<?linebreak?></para>
      <para>4. Het hoger beroep slaagt daarom niet.</para>
      <para />
      <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier	De voorzitter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>(getekend) V.Y. van Almelo	(getekend) F. Hoogendijk</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor eensluidend afschrift</para>
        <para>de griffier van de</para>
        <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>