<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:189</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-29T09:19:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-01-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17-6070 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:189">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:189</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-22T12:59:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:189 Centrale Raad van Beroep , 08-01-2019 / 17-6070 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:189:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitsluiting van bijstand op de grond dat appellant als voortvluchtige is geregistreerd. Er is geen gehoor gegeven aan de oproep om zich bij de PI te melden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:189:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>17</nr>6070 PW-PV </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 juli 2017, 17/678 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 8 januari 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: M. Schoneveld</para>
      <para>Griffier: E. Stumpel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door</para>
      <para>dhr. C. van den Bergh.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. In geschil is de intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 17 mei 2016 en de terugvordering van een bedrag van € 167,88 aan over de periode van 17 mei 2016 tot en met 31 augustus 2016 ten onrechte verstrekte bijstand, vervat in separate besluiten van </para>
    <para>18 augustus 2016, die na bezwaar zijn gehandhaafd bij besluit van 29 december 2016 (bestreden besluit). Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant met ingang van 17 mei 2016 als voortvluchtige is geregistreerd, zodat hij op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet geen recht heeft op bijstand.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4834, het volgende overwogen. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Vast staat dat eiser bij brief van 30 maart 2016 is opgeroepen om zich op 26 april 2016 voor 10:00 uur te melden bij de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein. Ook staat vast dat eiser aan deze oproep geen gevolg heeft gegeven. In dit kader heeft eiser aangevoerd dat hij rond 19 april 2016 telefonisch contact heeft gezocht met het Centraal Justitieel Incassobureau van het Ministerie van Justitie (CJIB) en gevraagd heeft om een nieuwe datum. Volgens eiser is hem meegedeeld dat hij een nieuwe oproep zou krijgen, maar dat hij er rekening mee diende te houden dat dit pas in 2017 zou zijn. Eiser heeft deze stellingen niet onderbouwd. Daar komt bij dat eiser op 9 september 2016 en 12 oktober 2016, dus nadat het door eiser gestelde telefonisch contact met het CJIB had plaatsgevonden, nog steeds als voortvluchtig stond geregistreerd sinds 17 mei 2016. Anders dan eiser, mede onder verwijzing naar de Aanwijzing Executie OM, heeft aangevoerd doet niet ter zake of tegen eiser een arrestatiebevel was uitgevaardigd en/of er tevergeefs opsporingsinspanningen zijn verricht. Vast staat immers dat eiser een oproep heeft gekregen om zich te melden, hij daaraan geen gevolg heeft gegeven en hij daarom als voortvluchtig staat gesignaleerd.</para>
      <para />
      <para>3. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak - kort gezegd - aangevoerd dat hij zich niet heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en dat hij niet in het opsporingsregister als voortvluchtige geregistreerd kon staan, omdat er nog geen opsporingsinspanningen waren verricht. Het college mocht in dit opzicht niet louter afgaan op de vermelding van appellant als voortvluchtige in het Overzicht signalen voor [woonplaats]. </para>
      <para />
      <para>4. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2.1 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat uit de informatie die het college bij navraag bij het CJIB in de bezwaarfase op 12 oktober 2016 heeft verkregen ondubbelzinnig blijkt dat appellant met ingang van 17 mei 2016 in het opsporingsregister stond geregistreerd. </para>
      <para />
      <para>5. Hieruit volgt dat geen aanleiding bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade.</para>
      <para />
      <para>6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		De voorzitter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>(getekend) E. Stumpel		(getekend) M. Schoneveld</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>md</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>