<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:1740</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-28T11:20:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/5584 AOW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:1740">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:1740</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-27T11:08:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:1740 Centrale Raad van Beroep , 23-05-2019 / 16/5584 AOW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:1740:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De tijdvakken die hebben geleid tot een korting op de AOW, omdat appellant in die periodes niet onderworpen was aan de Nederlandse wetgeving, zijn gebaseerd op zijn eigen overzicht en de informatie die de Svb heeft ontvangen van de bevoegde organen in Duitsland en België. Geen aanleiding aan te nemen dat de Svb een onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan, dan wel appellant te kort heeft gedaan bij het vaststellen van de niet-verzekerde periodes.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:1740:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>16</nr>5584 AOW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 23 mei 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 juli 2016, 15/3308 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. L.C.A. Diederen, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Svb heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Diederen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
      <para>mr. A. Marijnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <para>1. Aan appellant is, in een besluit van 7 juli 2015, vanaf 4 juni 2015 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, met een korting van 24%. Volgens de Svb was appellant, afgerond, twaalf jaar niet verzekerd voor de AOW, vanwege werkzaamheden in het buitenland. In een beslissing van 2 oktober 2015 (besluit 1) heeft de Svb weliswaar de periodes van niet verzekerd zijn enigszins gewijzigd, maar dit leidde niet tot het toekennen van een AOW-pensioen met een lagere korting. Bij een nieuwe beslissing op bezwaar van 23 maart 2016 (besluit 2) heeft de Svb besluit 1 ingetrokken en vastgesteld dat appellant recht heeft op een AOW-pensioen met een korting van 22% wegens, afgerond, elf niet verzekerde jaren. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en tegen besluit 2 ongegrond. Volgens de rechtbank mocht de Svb afgaan op de gegevens die hij van de Belastingdienst ontving over de periodes van werkzaamheden in het buitenland en heeft appellant niet aangetoond dat hij in deze periodes premies voor de Nederlandse volksverzekeringen heeft betaald. </para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij altijd in Nederland heeft gewoond en hier alle jaren belasting heeft betaald, ook in de periodes dat hij in het buitenland werkzaam was. Hij meent hierdoor recht te hebben op een volledig AOW-pensioen. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Bij zijn aanvraag om een AOW-pensioen heeft appellant een overzicht opgesteld van de periodes dat hij in het buitenland werkzaam is geweest. Deze periodes worden ook grotendeels bevestigd door de informatie die de Svb heeft ontvangen van de bevoegde organen in Duitsland en België. De tijdvakken die hebben geleid tot een korting op de AOW, omdat appellant in die periodes niet onderworpen was aan de Nederlandse wetgeving, zijn gebaseerd op deze gegevens en komen overigens ook in grote mate overeen met de periodes die appellant zelf heeft opgegeven. Er bestaat dan ook geen aanleiding aan te nemen dat de Svb een onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan, dan wel appellant te kort heeft gedaan bij het vaststellen van de niet-verzekerde periodes. De periodes waarin appellant in geen enkel land als verzekerd is aangemerkt, betreffen periodes waarin hij, ook naar eigen opgave, niet in Nederland werkzaam was maar in Duitsland of België. In die periodes was hij dus niet onderworpen aan de Nederlandse wetgeving. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd zal worden.</para>
        <para>5. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M. Graveland</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde (volksverzekeringen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>rh</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>