<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:1656</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T19:57:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/5872 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PS-Updates.nl 2019-0847</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:1656">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:1656</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-22T08:36:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:1656 Centrale Raad van Beroep , 03-04-2019 / 16/5872 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:1656:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het oordeel van de rechtbank is juist. De rechtbank heeft terecht het standpunt van het Uwv onderschreven dat de omstandigheid dat appellant, toen hij op 1 september 2008 ging werken al volledig arbeidsongeschikt was meebrengt dat een beoordeling van een eventuele eerste ziektedag van 28 februari 2009 nimmer tot een andere uitkomst kan leiden. Aan de wetswijziging waarbij het uitsluitingsartikel is vervallen is geen terugwerkende kracht toegekend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:1656:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2016, 15/4712 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 3 april 2019</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In 2002 heeft appellant hersenletsel opgelopen bij een auto-ongeval. Appellant heeft van 16 september 2008 tot en met 28 februari 2009 in dienst van zijn broer in een wasserette gewerkt. Van 2 maart 2009 tot en met 1 juni 2009 heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Daarnaast was hij vanaf 16 november 2008 bij McDonald’s als oproepkracht werkzaam. Op 4 mei 2009 heeft appellant zich ziek gemeld. Daarna heeft hij – met uitzondering van een onderbreking door detentie – tot 1 mei 2011 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Met een door het Uwv op 10 januari 2011 ontvangen formulier heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 22 maart 2011 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 2 mei 2011 voor een WIA-uitkering in aanmerking te brengen. Het door appellant tegen het besluit van 22 maart 2011 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 5 september 2011 ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat appellant bij aanvang van de verzekering op 16 september 2008 al dezelfde gezondheidsklachten had als de klachten waardoor hij niet kon werken. Tegen dit besluit heeft appellant geen beroep ingesteld, zodat het besluit van <?linebreak?>22 maart 2011 in rechte vaststaat. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij een op 1 april 2015 door het Uwv ontvangen brief van 30 maart 2015 heeft appellant opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd en daartoe – kort samengevat – gesteld dat hij na 1 mei 2011 arbeidsongeschikt is gebleven en het Uwv heeft nagelaten de arbeidsongeschiktheid te beoordelen ten tijde van het uit dienst treden bij zijn broer op 28 februari 2009, de ziekmelding vanuit de WW op 4 mei 2009 en na 1 mei 2011. Bij besluit van 2 april 2015 heeft het Uwv deze aanvraag niet in behandeling genomen. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 8 juli 2015 (bestreden beluit) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat bij het besluit van 22 maart 2011 onherroepelijk is vastgesteld dat appellant vanaf 2 mei 2011 geen WIA‑uitkering kon krijgen, omdat hij al volledig arbeidsongeschikt was toen hij op 1 september 2008 bij zijn werkgever is gaan werken. Omdat appellant toen hij op 1 september 2008 ging werken al volledig arbeidsongeschikt was, kan een beoordeling van een eventuele eerste ziektedag van 28 februari 2009 nimmer tot een andere uitkomst leiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het aan het slot van 1.3 verwoorde standpunt van het Uwv gevolgd en daaraan de conclusie verbonden dat appellant geen belang bij de beoordeling van het beroep had, omdat niet voldaan is aan de voorwaarde dat het resultaat dat appellant met zijn beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor appellant geen feitelijke betekenis kan hebben. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals onder meer blijkt uit zijn uitspraak van 22 april 2014, ECLI:N:CRVB:2014:1414.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald en aangevoerd dat hij in 2009 volledig arbeidsongeschikt is geworden. Volgens appellant moet de formele rechtskracht van de eerdere besluiten worden doorbroken, omdat het Uwv ten onrechte de in artikel 43, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 46, tweede lid, van de Wet WIA gelegen uitsluitingsbepaling heeft toegepast en de gevolgen daarvan voor appellant onevenredig nadelig zijn omdat de weigering van een WIA-uitkering hem zijn hele leven wordt tegengeworpen. Het door het Uwv toegepaste uitsluitingsartikel was vervallen op 2 mei 2011 en mocht niet meer worden toegepast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het oordeel van de rechtbank is juist. De rechtbank heeft terecht het in 1.3 vermelde standpunt van het Uwv onderschreven dat de omstandigheid dat appellant, toen hij op <?linebreak?>1 september 2008 ging werken al volledig arbeidsongeschikt was meebrengt dat een beoordeling van een eventuele eerste ziektedag van 28 februari 2009 nimmer tot een andere uitkomst kan leiden. De omstandigheid dat het in 1.3 vermelde uitsluitingsartikel met ingang van 1 januari 2011 is komen te vervallen kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat aan de desbetreffende wetswijziging geen terugwerkende kracht is toegekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Wat in 4.1 is overwogen leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) R.E. Bakker</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					De griffier is verhinderd te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>IvR</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>