<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:1523</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-13T11:06:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17-4819 PW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:1523">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:1523</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-07T07:37:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:1523 Centrale Raad van Beroep , 09-04-2019 / 17-4819 PW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:1523:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden. Uitgavenpatroon niet in overeenstemming met bijstand.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:1523:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>17</nr>4819 PW </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van </para>
      <para>22 mei 2017, 16/9073 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 9 april 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. S. Bhulai, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bhulai. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
      <para>mr. W. Punter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant ontving sinds 1 februari 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Naar aanleiding van een melding van de politie op 11 november 2015, dat appellant bij bestuurlijke controles van het Haags Economisch Interventie Team (HEIT) in de periode van 16 mei 2013 tot en met 29 december 2015 twaalfmaal (vier keer in 2013, twee keer in 2014 en zes keer in 2015) werkend als beheerder bij een seksinrichting in Den Haag is aangetroffen, hebben medewerkers van de Afdeling Bijzonder Onderzoek (medewerkers BO) van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Den Haag een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben medewerkers BO onder meer administratief onderzoek verricht, bankafschriften opgevraagd en appellant gehoord op 19 mei 2016. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 9 maart 2016, 9 mei 2016, 17 mei 2016 en 14 juni 2016.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 14 juni 2016, zoals gewijzigd bij besluit van 17 juni 2016, de bijstand met ingang van </para>
        <para>16 mei 2013 in te trekken en de over de periode van 16 mei 2013 tot en met 31 mei 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 37.262,60 van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen of onvoldoende inlichtingen te verstrekken over zijn werkzaamheden als beheerder. Appellant heeft op geld waardeerbare arbeid verricht en zijn inkomsten- en uitgavenpatroon is niet verenigbaar met een bijstandsbehoeftige situatie. Appellant heeft niet alsnog bewezen dat hij recht op bijstand heeft. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij besluit van 27 juni 2016 heeft het college de terugvordering gebruteerd met de aan de Belastingdienst afgedragen belastingen en premies en nader vastgesteld op € 45.511,23.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij besluit van 3 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de onder 1.3 en 1.4 vermelde besluiten ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Appellant heeft aangevoerd dat het HEIT hem van 2013 tot en met 2015 in totaal maar twaalf keer heeft aangetroffen op het [adres] te [woonplaats], zodat hij niet structureel arbeid heeft verricht die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant staat als beheerder vermeld op de exploitatievergunning van de seksinrichting die is gevestigd op voornoemd adres. De seksinrichting is een commercieel bedrijf dat niet mag opereren zonder beheerder. Appellant heeft op 19 mei 2016 verklaard dat hij al twee en een half jaar elke donderdag van 13.00 tot 17.00 uur werkzaam is in de seksinrichting. Hij werkt minimaal vier uur per week, maar gaat er daarnaast ook heen als daar om gevraagd wordt. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat hij in de seksinrichting aanwezig is mede voor de veiligheid van de meisjes. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat gezien de aard, de omvang, de duur en het terugkerende karakter van de beheerswerkzaamheden onmiskenbaar sprake is van arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Appellant heeft verder aangevoerd dat hij al bij brief van 20 september 2012 heeft gemeld dat hij vrijwilligerswerk doet in de seksinrichting. In maart 2015 heeft hij dat tijdens een gesprek bij de dienst Sociale Zaken &amp; Werkgelegenheidsprojecten in het kader van de toeleiding naar werk nog eens gemeld. Hij heeft dus voldaan aan zijn inlichtingenverplichting en hem is nooit verteld dat hij het werk niet mocht doen. De intrekking van de bijstand met terugwerkende kracht is daarom in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Het college heeft de ontvangst van de brief van </para>
        <para>20 september 2012 ontkend en appellant heeft de daadwerkelijke verzending van de brief niet aannemelijk gemaakt. Uit de stukken blijkt wel dat appellant eerst op 4 maart 2015 heeft gemeld dat hij vijftien tot twintig uur per week vrijwilligerswerk verricht als administratieve hulp en aanspreekpunt is voor zelfstandige prostituees, maar niet is gebleken dat hij tijdens dat gesprek heeft medegedeeld dat hij werkzaamheden verrichtte in de functie van beheerder van een seksinrichting. De werkzaamheden van beheerders als deze zijn onmiskenbaar op geld waardeerbaar. Appellant is de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting dan ook niet volledig nagekomen. Het enkele feit dat het college heeft besloten om van de bestuurlijke boete af te zien betekent niet dat appellant de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. De intrekking van de bijstand is niet in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel, nu appellant geen volledige inlichtingen heeft verschaft. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De beroepsgrond dat appellant deugdelijk heeft verklaard hoe hij in de betaling van zijn huur en kosten van levensonderhoud heeft voorzien, slaagt evenmin. Uit de bankafschriften van appellant blijkt vanaf juli 2014 een zodanig inkomsten- en uitgavenpatroon dat hij niet voldoende overhield om daarvan zijn huur en directe kosten van levensonderhoud te kunnen betalen. Met de daarvoor gegeven, niet onderbouwde verklaringen van appellant, waaronder de stelling dat hij met het gokken ook nog wat extra’s binnenkreeg, heeft hij niet aannemelijk gemaakt hoe hij vanaf juli 2014 in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
        <para>BESLISSING</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2019.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>						(getekend) O.L.H.W.I. Korte</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>						(getekend) S.A. de Graaff</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>md</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>