<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:1358</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-01T10:57:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/6971 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROT:2017:7217" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:7217, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:1358">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:1358</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-20T15:02:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:1358 Centrale Raad van Beroep , 02-04-2019 / 17/6971 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:1358:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opschorten en intrekken bijstand. Niet verschijnen op gesprek. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:1358:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>17</nr>6971 PW-PV </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 2 april 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 september 2017, 17/1961 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte, als lid van de enkelvoudige kamer</para>
      <para>Griffier: V.Y. van Almelo</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is verschenen mr. Huurman-Ip Vai Ching. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Zonneveld en mr. J.M. Tang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant ontvangt sinds 23 september 2015 bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een kosten delende alleenstaande. Naar aanleiding van een interne melding dat appellant werkend is aangetroffen in een café heeft het college appellant in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek bij brief van 15 november 2016 uitgenodigd voor een gesprek op 18 november 2016 en hem verzocht om bankafschriften over te leggen vanaf 15 augustus 2016 tot heden. Appellant is verschenen en heeft bankafschriften laten uitprinten vanaf 20 juli 2016 tot heden. Bij brief van 7 december 2016 heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 14 december 2016 en hem verzocht om aanvullende informatie mee te nemen, waaronder bankafschriften over de periode van 1 april 2016 tot 15 augustus 2016. Appellant heeft zich op 13 december 2016 ziek gemeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 14 december 2016 heeft het college appellant opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 19 december 2016 en hem verzocht om diverse gegevens te verstrekken. De brief is door de medewerker van de gemeente Rotterdam in de brievenbus van appellant gedeponeerd. Appellant is niet op het gesprek verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 december 2016 (besluit 1, opschortingsbesluit) heeft het college het recht op bijstand met ingang van 19 december 2016 opgeschort en appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen door op 22 december 2016 te verschijnen voor een gesprek en alsnog de gevraagde informatie over te leggen. Het besluit is door de rapporteur persoonlijk bezorgd. Appellant is niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 23 december 2016 (besluit 2, intrekkingsbesluit) heeft het college de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 19 december 2016 ingetrokken. Bij besluit van 27 december 2016 (besluit 3), gewijzigd bij besluit van 1 februari 2016 (besluit 4), heeft het college de bijstand over de periode van 1 augustus 2016 tot en met 30 september 2016 herzien en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.045,92 van appellant teruggevorderd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 maart 2017 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, de bezwaren tegen besluiten 1, 2, 3 en 4 ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft aangevoerd dat hem niet kan worden verweten dat hij niet op de gesprekken van 19 december 2016 en 22 december 2016 is verschenen. De opschorting van het recht op bijstand en de daaropvolgende intrekking van de bijstand kunnen daarom volgens appellant niet in stand blijven. Deze beroepsgronden slagen niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niet in geschil is dat de uitnodigingsbrief voor het gesprek op 19 december 2016 door de medewerker op 14 december 2016 in de brievenbus van appellant is gedeponeerd. De vraag of appellant toen aanwezig was dan wel vanwege ziekte bij zijn moeder verbleef, is niet van belang. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van appellant om zorg te dragen voor een adequate behandeling van de post. Dat hij hiertoe wegens ziekte niet in staat was, heeft appellant niet gesteld. Anders dan appellant stelt, is de periode tussen het bezorgen van de uitnodigingsbrief van 14 december 2016 en het gesprek op 19 december 2016 niet zo kort dat het onmogelijk is om aan een dergelijke oproep gehoor te geven of, in verband met voortdurende ziekte, om uitstel te vragen. Het valt appellant dan ook te verwijten dat hij niet op het gesprek op 19 december 2016 is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het opschortingsbesluit van 19 december 2016 met daarin de uitnodiging voor het gesprek op 22 december 2016 is ook persoonlijk door de medewerker in de brievenbus van appellant bezorgd. Ter zitting heeft appellant verklaard dit besluit te hebben ontvangen. Dat hij het besluit niet tijdig heeft gezien en daarop heeft gehandeld, komt voor zijn rekening en risico. Indien appellant problemen had met de afsluiting en toegang tot zijn brievenbus mocht van hem worden verwacht dat hij afdoende maatregelen zou treffen om die problemen op te lossen. Het valt appellant dan ook te verwijten dat hij het verzuim niet tijdig heeft hersteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Die zijn gelegen in de gang van zaken en zijn persoonlijke financiële situatie. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Dat in dit geval de terugvordering tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen zou leiden in voormelde zin, heeft appellant niet onderbouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier 					Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) V.Y. van Almelo 			(getekend) O.L.H.W.I. Korte</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>