<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2018:4285</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-08T11:48:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-12-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17-7484 AWBZ-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:4285">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:4285</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-04T14:53:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2018:4285 Centrale Raad van Beroep , 20-12-2018 / 17-7484 AWBZ-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2018:4285:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verantwoording pgb. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd omtrent de relatie tussen de budgethouder en de zorgverlener leidt niet tot het oordeel dat de door het zorgkantoor gemaakte belangenafweging bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 4:46 Awb, heeft geleid tot een voor appellant onevenredige uitkomst.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2018:4285:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>17/7484 AWBZ, 17/7485 AWBZ en 17/7486 AWBZ-PV </para>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 oktober 2017, 17/273, 17/274 en 17/275 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 20 december 2018</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zitting heeft: J. Brand</para>
    <para>Griffier: M.A.E. Lageweg</para>
    <para>Ter zitting zijn verschenen: namens appellant [naam moeder], moeder van appellant, en  namens het zorgkantoor mr. S. Gezer.</para>
  </parablock>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Aan appellant is op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor de jaren 2013</para>
        <para> en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend. Bij besluiten van 10 januari 2015 en</para>
        <para> 9 december 2015 heeft het zorgkantoor het pgb van appellant voor de jaren 2013 en 2014 vastgesteld en bedragen van appellant teruggevorderd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen drie afzonderlijke besluiten van 9 december 2016 (bestreden besluiten) gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. De rechtbank heeft overwogen dat de bezwaren van appellant mede gericht moeten worden geacht tegen de besluiten van 10 januari 2015 en 9 december 2015, welke besluiten worden geacht te zijn gehandhaafd bij de bestreden besluiten. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant bij de verantwoording van de besteding van het pgb over de jaren 2013 en 2014 niet heeft voldaan aan de administratieve verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa en het zorgkantoor op grond van artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd was het pgb lager vast te stellen dan de bij de verlening bepaalde bedragen. Omdat het zorgkantoor bij de bestreden besluiten heeft nagelaten een belangenafweging te maken in de zin van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb zijn die besluiten vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De in beroep  alsnog door het zorgkantoor gemaakte belangenafweging heeft de rechtbank vervolgens aanleiding gegeven om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het zorgkantoor had moeten afzien van zijn bevoegdheden tot lagere vaststelling en terugvordering. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand zijn gelaten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd omtrent de relatie tussen de budgethouder en de zorgverlener leidt niet tot het oordeel dat de door het zorgkantoor gemaakte belangenafweging bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 4:46 Awb, heeft geleid tot een voor appellant onevenredige uitkomst. Voorop staat dat appellant, inherent aan de door hem gemaakte keuze om de zorg geleverd te krijgen in de vorm van een pgb in plaats van in natura, als budgethouder verantwoordelijk is voor de verantwoording van de besteding van het aan hem verleende pgb. Dit geldt ook indien de budgethouder in verband met zijn beperkingen zelf niet in staat is om het pgb te verantwoorden en het beheer van het pgb om die reden wordt verricht door een ouder, in dit geval de moeder van appellant, die tevens zorgverlener van de budgethouder is. Dat het pgb van appellant (voor 2013 voor een deel en voor 2014 in zijn geheel) niet naar behoren is verantwoord en de besteding van het pgb ook achteraf niet voldoende inzichtelijk is gemaakt als gevolg van persoonlijke omstandigheden van, en onwetendheid bij, zijn moeder, komt in de relatie tussen appellant en het zorgkantoor volledig voor rekening en risico van appellant. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de onverschuldigd betaalde voorschotten niet kunnen worden teruggevorderd zijn niet gesteld. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier	De voorzitter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>(getekend) M.A.E. Lageweg	(getekend) J. Brand</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>CVG</title>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>