<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2018:2466</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T15:40:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-08-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-08-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/8486 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2018/185</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:2466">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:2466</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-08-09T14:14:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-08-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2018:2466 Centrale Raad van Beroep , 09-08-2018 / 15/8486 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2018:2466:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hervatting uitkering na schorsing in verband met onrechtmatig verblijf. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het Uwv de uitbetaling van de WIA-uitkering niet met terugwerkende kracht hoefde te hervatten. Het Uwv moet de WIA-uitkering alsnog met volledige terugwerkende kracht moet uitbetalen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2018:2466:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 9 augustus 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van </para>
      <para>16 december 2015, 15/6037 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te Tunesië (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2018. Appellant is daar, met bericht</para>
      <para>van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
      <para>A. Anandbahadoer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Appellant ontving vanaf 8 juli 2010 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen</para>
        <para>naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 7 oktober 2014 heeft het Uwv de betaling</para>
        <para>van deze uitkering opgeschort omdat appellant geen geldige verblijfstitel had. In bezwaar en</para>
        <para>beroep is dit besluit in stand gebleven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij brief van 29 juni 2015 heeft appellant verzocht om hervatting van de betaling van zijn</para>
        <para>uitkering. Hij heeft hierbij aangevoerd dat hij sinds 16 juni 2015 rechtmatig in Nederland</para>
        <para>verbleef in afwachting van een beslissing op een nieuwe aanvraag om een</para>
        <para>verblijfsvergunning. Het Uwv heeft bij beslissing van 8 juli 2015 (primair besluit) aan</para>
        <para>appellant laten weten de betaling van de uitkering te hervatten met ingang van 16 juni 2015.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>In bezwaar heeft appellant betoogd dat de betaling van zijn uitkering moet worden hervat</para>
        <para>met volledige terugwerkende kracht.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <parablock>
        <para>In het kader van de bezwaarprocedure heeft het Uwv inlichtingen ingewonnen bij de</para>
        <para>Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verblijfsstatus van appellant. De IND heeft</para>
        <para>laten weten dat de aanvraag van appellant om verblijf op 20 augustus 2015 is afgewezen.</para>
        <para>Appellant heeft die zelfde dag een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.</para>
        <para>Volgens de IND had het bezwaar geen schorsende werking, maar mocht appellant niet</para>
        <para>worden uitgezet in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij besluit van 18 september 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv vervolgens het</para>
        <para>bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de</para>
      <parablock>
        <para>rechtbank heeft het Uwv terecht geen aanleiding gezien om te onderzoeken of er in de periode</para>
        <para>vóór 16 juni 2015 recht bestond op voortzetting van de uitbetaling van de WIA-uitkering.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij er niet op is gewezen dat de betaling kon</para>
      <parablock>
        <para>worden hervat zodra hij een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning zou indienen.</para>
        <para>Appellant meent dat hem niet kan worden verweten dat hij niet eerder een aanvraag heeft</para>
        <para>ingediend. Daarom kan het Uwv in redelijkheid niet weigeren om de uitkering met</para>
        <para>terugwerkende kracht uit te betalen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens de rechtbank heeft het Uwv de uitbetaling van de WIA-uitkering van appellant</para>
        <para>niet met terugwerkende kracht hoeven hervatten. Tussen partijen is in geschil of dit oordeel</para>
        <para>juist is. Daarbij is − wat daarvan ook zij − niet in geschil dat appellant vanaf 15 juni 2015 enige tijd rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Appellant is inmiddels teruggekeerd naar</para>
        <para>Tunesië.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Artikel 69 van de WIA luidt als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“1. Het UWV schort de betaling van een uitkering op grond van deze wet op indien de</para>
        <para>persoon die recht heeft op die uitkering een vreemdeling is die niet rechtmatig in</para>
        <para>Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
        <para>2. De betaling van de uitkering op grond van deze wet wordt hervat indien de</para>
        <para>betrokkene daartoe een aanvraag indient en het UWV is gebleken dat hij feitelijk</para>
        <para>buiten Nederland woont of verblijf houdt en aan de overige voorwaarden voor het</para>
        <para>recht op uitkering voldoet.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>In zijn uitspraken van 4 juli 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:A10178 (over artikel 41 van de Ziektewet) en ECLI:NL:CRVB:2003:A10184 (over artikel 50a van de Wet op de</para>
        <para>Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)) heeft de Raad overwogen dat als aan het</para>
        <para>onrechtmatig verblijf in Nederland een einde komt en daarmee de reden voor de opschorting</para>
        <para>wegvalt, de uitbetaling van de uitkering alsnog met terugwerkende kracht zal moeten</para>
        <para>plaatsvinden. Dit geldt niet alleen voor de situatie waarin betrokkene feitelijk buiten</para>
        <para>Nederland woont of verblijf houdt, maar ook voor de situatie waarin de betrokkene een</para>
        <para>aanvraag voor een vergunning tot verblijf indient en de beslissing daarop in Nederland mag</para>
        <para>afwachten. Dit oordeel werd als overweging ten overvloede herhaald in de uitspraak van de</para>
        <para>Raad van 9 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:42.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Artikel 69 van de WIA is ongeveer gelijkluidend aan artikel 50a van de WAO. Het gaat</para>
        <para>in dit geval om een terugwerkende kracht van niet meer dan ongeveer zeven maanden. De</para>
        <para>Raad ziet om deze redenen geen aanleiding om in dit geval tot een ander oordeel te komen</para>
        <para>dan in de uitspraken die onder 4.3 zijn genoemd. Dit betekent dat het Uwv de WIA-uitkering</para>
        <para>van appellant alsnog met volledige terugwerkende kracht moet uitbetalen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>De overwegingen 4.1 tot en met 4.4 leiden ertoe dat de aangevallen uitspraak moet</para>
        <para>worden vernietigd. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal</para>
        <para>worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door te besluiten dat de betaling van</para>
        <para>de WIA-uitkering van appellant wordt hervat met ingang van de ingangsdatum van de</para>
        <para>opschorting daarvan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 501,- in bezwaar, in beroep en in hoger beroep.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- bepaalt dat de betaling van de WIA-uitkering van appellant wordt hervat met ingang van de</para>
    <para>ingangsdatum van de opschorting daarvan;</para>
    <para>- bepaalt dat deze uitspraak treedt in de plaats van het primaire besluit;</para>
    <para>- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.503.-;</para>
    <para>- bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos</para>
      <para>en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) H. Achtot </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>KS</title>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>