<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2018:1924</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-29T11:51:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-06-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/5515 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:1924">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:1924</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-29T08:34:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2018:1924 Centrale Raad van Beroep , 28-06-2018 / 16/5515 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2018:1924:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Burgerambtenaar werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Overtolligheidsontslag. Op grond van het BWDEF is aan betrokkene een bovenwettelijke uitkering toegekend. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd wegens verboden onderscheid naar leeftijd en zelf in de zaak voorzien door het toekenningsbesluit te herroepen voor zover het de einddatum van de bovenwettelijke uitkering betreft en te bepalen dat de bovenwettelijke uitkering van betrokkene eindigt met ingang van de datum waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) bereikt. De  Rechtbank heeft ten onrechte zelf in de zaak voorzien omdat appellant een zekere mate van vrijheid heeft in de totstandbrenging van nieuwe besluitvorming. Tevens verwijzing naar de uitspraak van 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:526. Appellant dient een nieuwe beslissing te nemen waartegen, ingeval van een - onverhoopt - beroep tegen de nieuwe beslissing, dit slechts bij de Raad kan worden ingesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2018:1924:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>16</nr>5515 AW </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van <?linebreak?>8 juli 2016, 15/5157 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 28 juni 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. R. van Arkel, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens betrokkene heeft mr. P. Berkhoudt een verweerschrift ingediend. Bij brief van <?linebreak?>16 april 2018 heeft mr. O. Labordus zich als gemachtigde gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven en heeft de Raad het onderzoek gesloten.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <para>1. Betrokkene was als burgerambtenaar werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Aan hem is met ingang van 1 mei 2015 overtolligheidsontslag verleend met toepassing van artikel 116, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard) en het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016. Bij besluit van 8 mei 2015 (toekenningsbesluit) heeft appellant aan betrokkene op grond van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie (BWDEF) een bovenwettelijke uitkering toegekend en daarbij bepaald dat die eindigt op de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Bij besluit van 25 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft appellant het toekenningsbesluit gehandhaafd.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens verboden onderscheid naar leeftijd en zelf in de zaak voorzien door het toekenningsbesluit te herroepen voor zover het de einddatum van de bovenwettelijke uitkering betreft en te bepalen dat de bovenwettelijke uitkering van betrokkene eindigt met ingang van de datum waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) bereikt.</para>
    <para />
    <para>3. Appellant heeft zich, voor zover thans nog van belang, op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Appellant betwist niet dat de beëindiging van de bovenwettelijke uitkering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zonder enige vervangende voorziening voor betrokkene een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. Volgens appellant heeft de rechtbank echter ten onrechte zelf in de zaak voorzien door het toekenningsbesluit te herroepen voor zover het de einddatum van de bovenwettelijke uitkering betreft en te bepalen dat de bovenwettelijke uitkering van betrokkene eindigt met ingang van de datum waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereikt. Appellant verzet zich in dit verband ook tegen rechtsoverwegingen 13 tot en met 15 van de aangevallen uitspraak. Hierin is, kort samengevat, overwogen dat de beëindiging van de bovenwettelijke uitkering op de leeftijd van 65 jaar gelet op de pensioengerechtigde leeftijd bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW inmiddels een louter toevallige leeftijd is. De rechtbank is van oordeel dat appellant de duur van de uitkering niet dient te verbinden aan het bereiken van een bepaalde leeftijd, maar een maximum duur van de uitkering dient vast te stellen, onafhankelijk van de leeftijd van betrokkene. Verder overweegt de rechtbank dat aangenomen mag worden dat appellant geen toepassing meer zal geven aan artikel 122 van het Bard bij het bereiken van de leeftijd van <?linebreak?>65 jaar, maar pas bij de leeftijd van 67 jaar. Daarvan uitgaande bestaat er volgens de rechtbank geen enkele rechtvaardiging meer voor het toepassen van de in artikel 122 van het Bard genoemde leeftijd van 65 jaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Deze beroepsgronden slagen. Uit artikel 1 van het BWDEF volgt dat onder pensioengerechtigde leeftijd de leeftijd als bedoeld in artikel 122 van het Bard wordt verstaan. Voor de einddatum van de uitkering bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF is aldus uitdrukkelijk aangesloten bij de in artikel 122 van het Bard genoemde leeftijd van 65 jaar. Verder heeft appellant vanwege de aard van de materie een zekere mate van vrijheid in de totstandbrenging van nieuwe besluitvorming. Het was dan ook aan appellant om het geconstateerde gebrek - het verboden onderscheid naar leeftijd - op een rechtens houdbare wijze te herstellen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat dit niet mogelijk is zonder artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF in verbinding met artikel 122 van het Bard ten aanzien van de einddatum van de bovenwettelijke uitkering buiten toepassing te laten, is dat oordeel onjuist. Hiertoe wordt, kortheidshalve, verwezen naar wat hierover is overwogen in de uitspraak van 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:526.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien door het toekenningsbesluit te herroepen voor zover het de einddatum van de bovenwettelijke uitkering betreft en te bepalen dat de bovenwettelijke uitkering van betrokkene wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereikt. Appellant dient een nieuwe beslissing te nemen. De Raad zal verder met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, bepalen dat een - onverhoopt - beroep tegen de nieuwe beslissing slechts bij de Raad kan worden ingesteld. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien door het toekenningsbesluit te herroepen voor zover het de einddatum van de bovenwettelijke uitkering betreft en te bepalen dat de bovenwettelijke uitkering van betrokkene wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereikt;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt appellant op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) E.J.M. Heijs</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) P.W.J. Hospel </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>LO</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>