<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2018:1885</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-28T11:07:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-06-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/3033 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:1885">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:1885</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-27T12:21:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2018:1885 Centrale Raad van Beroep , 27-06-2018 / 15/3033 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2018:1885:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Loongerelateerde WGA-uitkering juist vastgesteld. Deugdelijke medische grondslag, nu met de FML met alle bij appellante bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid in voldoende mate rekening is gehouden. Toereikende en inzichtelijke gemotiveerd dat de voorgehouden functies voor appellante geschikt zijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2018:1885:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>15/3033 WIA   </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 27 juni 2018 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van </para>
    <para>24 maart 2015, 14/4521 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellante heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen hebben nog stukken ingezonden.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2017. Namens appellante is verschenen mr. Blom. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting is geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen nadere toelichtingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in te zenden.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 december 2017 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 19 december 2017 en 12 april 2018 overgelegd.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Appellante heeft hierop gereageerd.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Appellante was laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster. Met ingang van </para>
        <para>1 februari 2010 ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Op 12 maart 2012 meldde appellante zich ziek in verband met rug-, been- en armklachten en psychische klachten. In verband met deze ziekmelding is appellante met ingang van die datum ziekengeld ingevolge de Ziektewet toegekend. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 21 januari 2014 vastgesteld dat voor appellante per 10 maart 2014 recht op een loongerelateerde WGA-uitkering is ontstaan krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 44%. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 27 juni 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep na voldoende zorgvuldig onderzoek afdoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van het ontbreken van benutbare mogelijkheden op </para>
        <para>10 maart 2014. De stelling van appellante dat haar beperkingen onjuist zijn vastgesteld wordt onvoldoende onderbouwd met medische informatie. De rechtbank ziet in het dossier geen aanknopingspunten voor de stelling dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met de psychische klachten van appellante. Ook in dit verband heeft appellante geen medische stukken overgelegd ter onderbouwing van haar stelling. Voorts is niet gebleken dat de beperkingen op het gebied van conflicthantering als vermeld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 december 2013 niet afdoende zijn. Uit de overgelegde informatie van de cardioloog en van de huisarts van appellante blijkt dat nog wel sprake is van hypertensie maar door het gebruik van medicatie niet meer in dezelfde mate als in augustus 2013. Gelet hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom appellante per 10 maart 2014 in staat moet worden geacht fulltime te werken. Ook wat betreft de gehoor- en rugklachten heeft appellante niet onderbouwd dat er in verband met die klachten verdergaande beperkingen zouden moeten gelden. Omdat appellante geen gronden van arbeidskundige aard heeft aangevoerd beperkt de rechtbank zich overeenkomstig vaste jurisprudentie tot de medische grondslag en de vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn. De rechtbank is in dat verband van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft toegelicht waarom deze functies (ondanks de signaleringen) voor appellante geschikt zijn. Voorts ziet de rechtbank geen inconsistenties tussen enerzijds het rapport van de verzekeringsarts en anderzijds de door hem opgestelde FML. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het arbeidsongeschiktheidspercentage onjuist is vastgesteld en dat ter berekening van haar resterende verdiencapaciteit functies zijn voorgehouden die appellante om medische redenen niet kan (noch destijds kon) vervullen. Zij heeft informatie van haar behandelend psychiater en een re-integratieverslag overgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Terecht komt de rechtbank tot het oordeel dat gelet op de voorhanden zijnde gedingstukken het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust, nu met de FML met alle bij appellante bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid in voldoende mate rekening is gehouden. Desgevraagd heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op adequate en overtuigende wijze gemotiveerd – welke motivering ook door appellante is aanvaard – dat de hypertensie van appellante ten tijde van zijn onderzoek zich op een aanvaardbaar niveau bevond, zodat er geen aanwijzingen waren dat de verhoogde tensie tot orgaanschade zou leiden. De rechtbank stelt terecht vast dat appellante haar stellingen dat zij meer beperkt is dan in die FML vermeld niet met medische stukken heeft onderbouwd. De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van haar behandelend psychiater ziet niet op de datum in geding. Hetzelfde geldt voor het re-integratieverslag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Uitgaande van de juistheid van de FML moet appellante in staat worden geacht de aan haar voorgehouden voorbeeldfuncties – gegeven de daarin voorkomende belasting – te vervullen. De arbeidsdeskundigen hebben in het Resultaat functiebeoordeling en in het rapport van 18 juni 2014 op toereikende en inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom de voorgehouden functies – met inachtneming van de daarin voorkomende signaleringen – voor appellante geschikt zijn. In hoger beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep </para>
        <para>– na overleg met de arbeidsdeskundig analist – ook op adequate wijze onderbouwd dat de belasting in functie “Transportplanner, medewerker bevrachting” (SBC-code 484010) in overeenstemming is met de belastbaarheid van appellante, nu de zogeheten “ongeplande’ charters geen onverwachte maar niet aangemelde charters betreffen en dat deze charters onderdeel zijn van het reguliere werk. Van strijd met de beperking van appellante dat zij is aangewezen op arbeid zonder veelvuldige storingen en/of onderbrekingen blijkt dan ook niet. Naar aanleiding van een reactie van appellante heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 april 2018 ook afdoende gemotiveerd waarom in de hiervoor bedoelde functie geen sprake is van stresserend werk en dat die functie ook wat betreft de overige aspecten daarvan – gelet ook op het arbeidsverleden van appellante – voor haar medisch geschikt moet worden geacht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.</para>
      <para />
      <para>6. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) R.P.W. Jongbloed </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>GdJ</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>