<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2018:1823</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T21:46:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-06-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/8033 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ABkort 2018/327</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:1823">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:1823</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-21T14:07:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2018:1823 Centrale Raad van Beroep , 06-06-2018 / 17/8033 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2018:1823:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Het Uwv heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van bezwaar ontbreken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2018:1823:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>17</nr>8033 WAO </title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 6 juni 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2017, 17/5324 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr. T.H.S.P. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2018. Ter zitting is appellante verschenen, bijgestaan door mr. S. van Andel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: C.C.W. Lange. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Griffier: B. Dogan</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en is gebaseerd op de volgende overwegingen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para> Appellante heeft zich op 21 februari 2017 vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij besluit van 24 mei 2017 is appellante per 23 mei 2017 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 15 juni 2017 heeft het Uwv appellante per 21 maart 2017 niet in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat zij ziek is door een andere oorzaak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Op 7 juli 2017 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 juni 2017. Daarin is het volgende vermeld: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“[appellante] kan zich met het bestreden besluit niet verenigen omdat het, in strijd met artikel 3:2 Awb, niet is gebaseerd op een deugdelijk onderzoek naar de relevante feiten en af te wegen belangen en, in strijd met artikel 3:46 en 3:47 Awb, niet berust op een deugdelijke en kenbare motivering”. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij brief van 12 juli 2017 heeft het Uwv appellante in de gelegenheid gesteld om het bezwaarschrift uiterlijk 9 augustus 2017 compleet te maken door aan te geven waarom zij het niet eens is met het besluit. Van deze gelegenheid heeft appellante geen gebruik gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Bij besluit van 23 augustus 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 15 juni 2017 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van bezwaar ontbreken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de in het bezwaarschrift vermelde gronden voldoende concreet zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift geen concrete, op het individuele geval gerichte, bezwaargronden bevat. </para>
      <para />
      <para>4. Het oordeel van de rechtbank is juist en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, worden geheel onderschreven. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit vaste rechtspraak van de Raad dat geen hoge eisen worden gesteld aan een bezwaarschrift, maar dat dit, hoe summier verwoord ook, wel een concete beroepsgrond moet bevatten.</para>
      <para />
      <para>5. In het bezwaarschrift is alleen verwezen naar artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en naar wat in die artikelen staat vermeld. Niet is toegelicht waaruit de bezwaren in dit concrete geval bestaan. Er zijn dus geen concrete gronden aangevoerd. </para>
      <para />
      <para>6. Verder is van belang dat het Uwv appellante bij brief van 12 juli 2017 een termijn heeft gegeven om het onder 5 genoemde gebrek te herstellen. Niet in geschil is dat appellante van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. </para>
      <para />
      <para>7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier						De voorzitter</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>B. Dogan						C.C.W. Lange</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>RB</title>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>