<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2018:163</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T22:40:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-01-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/4214 AWBZ</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2018/320</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2018/48</rdf:li>
          <rdf:li>ABkort 2018/34</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:163">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:163</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-01-19T13:55:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2018:163 Centrale Raad van Beroep , 10-01-2018 / 16/4214 AWBZ</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2018:163:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de echtgenote van betrokkene geen belanghebbende is. Terugvordering onverschuldigd betaalde pgb‑voorschotten. Discretionaire bevoegdheid. Geen omstandigheden die maken dat niet in redelijkheid tot terugvordering overgegaan had gemogen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2018:163:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>16</nr>4214 AWBZ </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van <?linebreak?>20 juni 2016, 16/89 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de erven van [Betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 10 januari 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellanten heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2017. Namens appellanten is mr. Arabaci verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hartman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Aan [Betrokkene] (betrokkene) is op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 augustus 2014 een netto persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 34.679,39. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij besluit van 24 juni 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 augustus 2014 vastgesteld op € 26.400,33 en een bedrag van € 8.279,06 teruggevorderd. Betrokkene heeft hiertegen bezwaar gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Betrokkene is, na een ziekbed, op 15 november 2015 overleden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij besluit van 27 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat door administratieve gebreken niet kan worden vastgesteld of de verleende zorg is betaald en of deze zorg uit het pgb mocht worden betaald. Het overlijden van betrokkene geeft het Zorgkantoor geen aanleiding om van de terugvordering af te zien of deze te matigen. </para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat, nu de echtgenote van betrokkene geen verklaring van erfrecht heeft overgelegd, de rechtbank niet kan vaststellen dat de echtgenote, gelet op artikel 4:182 van het Burgerlijk Wetboek, als erfgenaam belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
      <para />
      <para>3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellanten heeft de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De echtgenote is belanghebbende reeds omdat het Zorgkantoor van haar terugvordert. Verder is sprake van financiële en sociale belangen die maken dat het Zorgkantoor had moeten afzien van terugvordering. Betrokkene leed aan maagkanker en is overleden voordat het bestreden besluit is genomen. </para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In hoger beroep is een verklaring overgelegd van het Centraal Testamentenregister (CTR) van 23 juni 2017. Daarin is vermeld dat bij het CTR geen akten bekend zijn op naam van betrokkene. Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat de echtgenote geen erfgename is van betrokkene. Dit brengt mee dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat de echtgenote van betrokkene geen belanghebbende is. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit beoordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het Zorgkantoor gebruik heeft mogen maken van zijn discretionaire bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde pgb‑voorschotten. Naar het oordeel van de Raad brengen de door appellanten aangevoerde omstandigheden niet mee dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot terugvordering van het bedrag van € 8.279,06 heeft kunnen overgaan. Voorop staat dat de schuldenaar de schulden dient te betalen. Dit geldt ook voor de persoon die als rechtsopvolger van de schuldenaar een schuld onder algemene titel verkrijgt en daarmee de schuldenaar wordt. Niet is gebleken dat de terugvordering tot onaanvaardbare sociale gevolgen leidt. Ook is niet gebleken van onaanvaardbare financiële gevolgen. Hierbij is van belang dat het Zorgkantoor bij de inning of invordering van de geldschuld rekening moet houden met de beslagvrije voet. Verder is van belang dat op grond van artikel 4:94 van de Awb bij het Zorgkantoor om uitstel van betaling kan worden gevraagd. Het beroep van appellanten slaagt dus niet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit 4.2 volgt dat het beroep ongegrond is. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Aanleiding bestaat om het Zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.002,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat het Zorgkantoor aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van <?linebreak?>€ 170,- vergoedt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M.F. Wagner</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) L. Boersma</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>UM</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>