<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2017:996</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-03-20T14:19:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-03-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-03-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15-5039 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:996">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:996</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-03-13T15:08:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-03-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2017:996 Centrale Raad van Beroep , 07-03-2017 / 15-5039 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2017:996:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De draagkrachtberekening in verband met aflossing op vordering is juist vastgesteld. Het besluit tot aflossing kan in stand blijven.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2017:996:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>15/5039 WWB </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 7 maart 2017</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van </para>
    <para>11 juni 2015, 15/350 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellant heeft mr. E. Kafa, advocaat, hoger beroep ingesteld. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 24 januari 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. </para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Appellant heeft een schuld bij het college wegens teveel ontvangen bijstand die op </para>
        <para>21 maart 2014 € 137.870,73 bedroeg. Op 11 juni 2014 heeft het college aan appellant verzocht om diverse gegevens te verstrekken ten behoeve van het maken van een draagkrachtberekening. Hieraan heeft appellant gehoor gegeven door onder meer de jaarrekening van zijn bedrijf over 2013 en bankafschriften van zijn zakelijke en privérekeningen over te leggen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft het college het aflossingsbedrag vastgesteld op </para>
        <para>€ 500,- per maand. Bij de berekening van de aflossingscapaciteit is het college uitgegaan van een totaal aan inkomsten van € 2.028,-. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 10 december 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 augustus 2014 gedeeltelijk gegrond verklaard en het aflossingsbedrag gewijzigd naar € 250,- per maand. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat het college bij de berekening van de aflossingscapaciteit aanvankelijk van een te hoog inkomen is uitgegaan en dit inkomen gewijzigd heeft vastgesteld op € 1.392,- per maand. Het college is bij de vaststelling van het inkomen van € 1.392,- uitgegaan van een gemiddeld bedrag dat door appellant per maand is gestort op zijn privérekeningen.</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Uit artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig geschiedt dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals neergelegd in artikel 475d van het Rv.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Appellant heeft aangevoerd dat hij slechts een inkomen heeft van € 636,-, het bedrag als vermeld in de jaarrekening 2013. Het overige deel van het bedrag van € 1.392,- dat het college heeft gebruikt bij de draagkrachtberekening bestaat uit door appellant aangegane leningen. Deze leningen zijn ten onrechte als inkomsten aangemerkt, waardoor het aflossingsbedrag te hoog is vastgesteld. De leningen zijn schriftelijk vastgelegd. Appellant erkent dat de leenovereenkomsten als gebrekkig kunnen worden aangemerkt, maar dat komt door de taalbarrière en het ontbreken van kennis over het opstellen van dergelijke overeenkomsten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. De boekhouder van het bedrijf van appellant heeft in zijn e-mailbericht van 30 oktober 2014 verklaard dat het bedrag van € 1.392,- dat iedere maand gestort wordt een mengelmoes is van eigen contante winst uit de onderneming, eigen spaargeld en wat geleend geld. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat een deel van de stortingen afkomstig was van leningen. De drie door appellant overgelegde handgeschreven leenovereenkomsten zijn hiervoor onvoldoende, omdat deze niet zijn gedateerd, eerst in beroep naar aanleiding van de besluitvorming van het college zijn overgelegd en niet met objectieve en verifieerbare stukken zijn onderbouwd. Dat sprake zou zijn van een taalbarrière en het ontbreken van kennis over het opstellen van leenovereenkomsten leidt niet tot een ander oordeel. Appellant heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het college bij zijn draagkrachtberekening ten onrechte is uitgegaan van een bedrag van € 1.392,- per maand aan inkomsten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) J.T.H. Zimmerman</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) A. Mansourova</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>IJ</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>