<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2017:4330</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-12-19T10:40:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-12-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/2413 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:4330">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:4330</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-12-19T07:39:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-12-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2017:4330 Centrale Raad van Beroep , 13-12-2017 / 16/2413 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2017:4330:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig verricht medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2017:4330:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">16 2413 ZW </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 13 december 2017</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van </para>
      <para>10 maart 2016, 15/3016 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP </title>
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. J.P.J. van de Griend hoger beroep ingesteld. </para>
      <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. </para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Appellant is verschenen. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN </title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant is werkzaam geweest als [naam functie] voor 40 uur per week. Zijn dienstverband is op 1 juli 2012 geëindigd. Appellant heeft zich op 29 oktober 2014 ziek gemeld met darmklachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 23 juli 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 27 juli 2015 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van halmedewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 23 juli 2015 vastgesteld dat appellant per 27 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 oktober 2015 ten grondslag. </para>
        <para>2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze, volledig en ook overigens conform de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld, heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken dat de informatie van de behandelend artsen van appellant onjuist is uitgelegd. Appellant is terecht in staat geacht per 27 juli 2015 zijn eigen werk te verrichten.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij per 27 juli 2015 niet hersteld was. Hij ervoer op die datum nog veel lichamelijke en psychische klachten. Ook de huisarts is van mening dat de darmklachten invaliderend werken waardoor appellant niet in staat was 40 uur per week te werken. Appellant rust twee keer per dag een half uur tot een uur. De verzekeringsarts heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat appellant dagelijks 40 tot 50 keer het toilet bezoekt en ook een toilet in de buurt dient te hebben. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. </para>
        <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat het dossier is bestudeerd, dat appellant is onderzocht, dat informatie van de behandelend sector bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant is meegewogen en dat daarover op inzichtelijke wijze is gerapporteerd. Op de medische stukken die in de bezwaarfase zijn ingediend, is door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd in de rapporten van </para>
        <para>23 juli 2015 en 5 oktober 2015. De verzekeringsartsen hebben kennisgenomen van het rapport van MDL-arts dr. K. Ocran van 5 december 2014 waarin staat dat appellant bekend is met coeliakie, dat hij zich houdt aan een streng dieet en dat de coeliakie al geruime tijd rustig is. Voor andere darmklachten is appellant onderzocht door dr. F. Teikemeier, MDL-arts. Uit brieven van deze MDL-arts en de huisarts is gebleken dat na twee darmonderzoeken, een rectoscopie en een echo geen afwijkingen zijn gevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de conclusie van de primaire verzekeringsarts dat er op 27 juli 2015 geen medisch objectiveerbare belemmeringen meer zijn om het eigen werk te verrichten gevolgd. Deze conclusie wordt door de Raad onderschreven. Hieraan wordt toegevoegd dat de huisarts niet heeft vermeld dat de darmklachten van appellant invaliderend zijn, maar dat ze door hem als invaliderend worden ervaren. Ook is het standpunt van appellant dat hij 40 tot 50 keer per dag het toilet moet bezoeken, niet met objectieve medische gegevens onderbouwd. </para>
      </parablock>
      <para>5. De overwegingen in 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. </para>
      <para>6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M.C. Bruning</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					De griffier is verhinderd te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>KS</title>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>