<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2017:430</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-02-10T16:20:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-02-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-02-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/4 WSF</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROT:2015:8697" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:8697</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:430">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:430</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-02-08T13:20:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2017:430 Centrale Raad van Beroep , 08-02-2017 / 16/4 WSF</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2017:430:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Geen verschoonbare termijnoverschrijding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2017:430:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>16/4 WSF </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 8 februari 2017</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 november 2015, 14/8483 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellante heeft mr. C.W.F. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De minister heeft een verweerschrift ingediend. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 december 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Jansen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. </para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 12 juli 2014 heeft de minister de aan appellante op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekende studiefinanciering herzien in die zin dat appellante vanaf 1 april 2012 is aangemerkt als thuiswonende studerende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Appellante heeft op 2 oktober 2014 een bezwaarschrift ingezonden tegen het besluit van 12 juli 2014. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 10 november 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 juli 2014 niet‑ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen redenen zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <para>3. Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 juli 2014 terecht <?linebreak?>niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens appellante is de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Appellante heeft het besluit van 12 juli 2014 ontvangen in een periode waarin zij ernstig ziek was en in verband met een operatie op 1 augustus 2014 van <?linebreak?>29 juli 2014 tot 15 augustus 2014 opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Na deze opname had appellante nog steeds te kampen met medische klachten waardoor zij van <?linebreak?>17 oktober 2014 tot 28 oktober 2014 nogmaals opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Nu appellante gedurende een betrekkelijk lange periode heeft gekampt met medische klachten, waarvoor zij tot tweemaal toe in het ziekenhuis opgenomen is geweest, is haar niet aan te rekenen dat zij pas op 2 oktober 2014 weer de tegenwoordigheid van geest had om bezwaar te maken tegen het besluit van 12 juli 2014. Voorts was appellante gedurende die periode niet in staat om iemand in te schakelen om namens haar bezwaar te maken. Zij was te ziek.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad oordeelt als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 juli 2014 terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen gronden zijn gelegen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De periode om bezwaar te maken tegen het besluit van 12 juli 2014 liep van 13 juli 2014 tot en met 25 augustus 2014. Uit de overgelegde medische verklaring blijkt dat appellante van 29 juli 2014 tot 15 augustus 2014 en van 17 oktober 2014 tot 28 oktober 2014 opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Uit die verklaring blijkt echter niet dat appellante in de periode van 13 juli 2014 tot en met 25 augustus 2014 niet in staat is geweest om (pro forma) bezwaar te maken of eventueel te laten maken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Uit hetgeen is overwogen in 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	(getekend) J. Brand</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	(getekend) J.W.L. van der Loo</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>NK</title>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>