<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2017:3681</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-31T11:10:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-10-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/6631 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:3681">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:3681</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-31T11:09:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2017:3681 Centrale Raad van Beroep , 25-10-2017 / 15/6631 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2017:3681:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Met bestreden besluit 2 is het bestreden besluit 1 gewijzigd. Op grond van artikel 6:19 Awb in samenhang met artikel 6:24 van de Awb is van rechtswege beroep ontstaan tegen bestreden besluit 2, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Met het nieuwe besluit is geheel tegemoetgekomen aan appellante (de werkgever). Met wat de werknemer tegen bestreden besluit 2 heeft aangevoerd, kan werknemer niet bereiken dat hij in een gunstigere positie komt te verkeren. Onvoldoende procesbelang. Proceskostenveroordeling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2017:3681:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>15</nr>6631, 17/6120 WIA </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van </para>
      <para>26 augustus 2015, 14/521 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [werknemer] te [woonplaats] (werknemer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 25 oktober 2017</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr. S. Ideler-Ouwens, advocaat, hoger beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van werknemer is een schriftelijke uiteenzetting ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft een gewijzigde beslissing op bezwaar van 3 augustus 2017 en nadere stukken ingezonden. Appellante en werknemer hebben op verzoek van de Raad een reactie op het besluit van 3 augustus 2017 gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Voor appellante is<?linebreak?>mr. Ideler-Ouwens verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door<?linebreak?>E.C. van der Meer. Werknemer is niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 6 augustus 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat werknemer met ingang van 20 september 2013 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Zowel appellante als werknemer heeft tegen het besluit van 6 augustus 2013 bezwaar gemaakt. Bij een eerste besluit van 23 januari 2014 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Bij een tweede besluit van 23 januari 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van werknemer gegrond verklaard en het besluit van 6 augustus 2013 herroepen. Werknemer is alsnog met ingang van 20 september 2013 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. In een besluit van<?linebreak?>18 november 2013 was al vastgelegd dat werknemer deze uitkering zal ontvangen tot<?linebreak?>20 augustus 2016.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. Appellante heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Bij besluit van 3 augustus 2017 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv vastgesteld dat werknemer op onjuiste grondslag in aanmerking is gebracht voor een WIA-uitkering. In verband met artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA eindigt de loongerelateerde<?linebreak?>WGA-uitkering van werknemer echter niet eerder dan 20 augustus 2016. Er zal wel ontkoppeling van uitkeringslasten plaatsvinden, zodat de aan werknemer betaalde uitkering niet aan appellante wordt doorbelast.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De Raad oordeelt als volgt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank een oordeel heeft gegeven over bestreden besluit 1, niet in stand kan blijven. De Raad zal zowel de aangevallen uitspraak als bestreden besluit 1 vernietigen. Omdat bestreden besluit 2 niet tot gevolg heeft dat aan werknemer ten onrechte WGA-uitkering is betaald, zal worden bepaald dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand blijven. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.2.1.</nr>
        <para>Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 6:24 van de Awb is van rechtswege beroep ontstaan tegen bestreden besluit 2, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.2.</nr>
        <para>Mede gelet op het verhandelde ter zitting heeft appellante te kennen gegeven dat met de vastlegging dat de lasten, verbonden aan de WIA-uitkering van werknemer, niet aan haar zullen worden doorbelast volledig aan haar is tegemoetgekomen. Dat betekent dat geen beroep van haar tegen bestreden besluit 2 ter beoordeling voorligt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.3.</nr>
        <para>Werknemer is het niet eens met de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten die het Uwv aan bestreden besluit 2 ten grondslag heeft gelegd. Met wat hij tegen bestreden besluit 2 heeft aangevoerd, kan werknemer niet bereiken dat hij in een gunstigere positie komt te verkeren. Hij heeft immers al over de maximale duur, namelijk tot 20 augustus 2016, een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen. Over een WIA-uitkering die volgt op een loongerelateerde WGA-uitkering gaat bestreden besluit 2 niet en dit was evenmin onderwerp van bestreden besluit 1. Dat betekent dat het van rechtswege ontstane beroep van werknemer tegen bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk zal worden verklaard.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 1.732,50 in beroep en € 1.237,50 in hoger beroep. Ter zitting hebben appellante en het Uwv overeenstemming bereikt over vergoeding door het Uwv aan appellante van de kosten van Ergatis B.V. tot een bedrag van € 2.973,59. De totale proceskostenveroordeling is € 5.943,59.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 januari 2014 op het bezwaar van werknemer tegen het besluit van 6 augustus 2013 gegrond en vernietigt dit besluit;</para>
    <para>- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;</para>
    <para>- verklaart het beroep van werknemer tegen het besluit van 3 augustus 2017 niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5.943,59;</para>
    <para>- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 815,- vergoedt.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en A.I. van der Kris en<?linebreak?>D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M. Greebe </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) I.G.A.H. Toma </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>AB</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>