<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2017:3639</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-25T09:59:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-10-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/1664 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:3639">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:3639</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-24T09:10:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2017:3639 Centrale Raad van Beroep , 18-10-2017 / 16/1664 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2017:3639:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep niet-ontvankelijk. Appellant is volledig aan het bezwaar van de erven tegemoetgekomen. Afwijzing verzoek om schadevergoeding. Proceskostenveroordeling appellant.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2017:3639:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>16/1664 ZW, 16/4816 ZW</para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 18 oktober 2017</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van </para>
    <para>2 februari 2016, 15/2033 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de erven van [Betrokkene] (betrokkene) laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats] </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Namens betrokkene heeft [naam echtgenoot], de echtgenoot van betrokkene, een verweerschrift ingediend, voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. J.H. Ermers. De echtgenoot van betrokkene is verschenen. Ter zitting is gebleken dat betrokkene is overleden en heeft de echtgenoot medegedeeld dat de procedure wordt voortgezet. Het onderzoek is ter zitting geschorst.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 21 april 2017 heeft appellant een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarin het besluit van 4 december 2014 is herroepen. Bij dit besluit van 4 december 2014 had appellant de vrijwillige verzekering van betrokkene voor de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Werkloosheidswet met ingang van 1 augustus 2014 beëindigd. In het besluit van 21 april 2017 heeft appellant te kennen gegeven dat op verzoek van de erven alsnog de verzekering met terugwerkende kracht per dezelfde datum, 1 augustus 2014, wordt beëindigd, om te voorkomen dat de erven worden geconfronteerd met een naheffing van de premies.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Namens de erven is gereageerd. Daarbij is de Raad verzocht een beslissing te nemen over de proceskosten en is verzocht om schadevergoeding. Appellant heeft een reactie op beide verzoeken ingezonden. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Met toestemming van partijen is nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. Vervolgens is het onderzoek gesloten.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <parablock>
      <para>Vastgesteld wordt dat appellant met het besluit van 21 april 2017 volledig aan het bezwaar van de erven is tegemoetgekomen. Er bestaat dus niet langer een inhoudelijk geschil tussen partijen over de beëindiging van de vrijwillige verzekering van betrokkene per 1 augustus 2014. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat</para>
      <para>appellant daarbij niet langer belang heeft. Gelet op dit oordeel wordt evenmin aan de behandeling van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep toegekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de kosten die de erven in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Appellant heeft te kennen gegeven (alleen) in te stemmen met de in hoger beroep gemaakte kosten van in totaal € 139,16, bestaande uit verletkosten en reiskosten. Ook de in beroep gemaakte kosten van in totaal € 145,80 komen echter voor vergoeding in aanmerking aangezien gemachtigde als niet-professionele gemachtigde ter zitting is verschenen namens betrokkene. Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten bestaat geen grond, omdat niet gebleken is dat betrokkene tijdig een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan, zoals bepaald in artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. </para>
      <para>Geoordeeld wordt dat er geen materiële schade is geleden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de door betrokkene op 8 december 2014 gedane betaling van € 385,83 direct door appellant is teruggestort en verdere schade niet onderbouwd is gesteld. Van immateriële schade is evenmin gebleken nu een onderbouwd verzoek daartoe ontbreekt. Hieruit volgt dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt appellant in de kosten van de erven van betrokkene tot een bedrag van<?linebreak?>€ 284,96,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 497,- wordt geheven.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.S. van der Kolk</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) B. Dogan </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>AB</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>