<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2017:3594</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-20T12:00:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-10-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14-451 MPW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:3594">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:3594</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-19T13:42:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2017:3594 Centrale Raad van Beroep , 19-10-2017 / 14-451 MPW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2017:3594:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om een vergoeding van de kosten van het geneesmiddel Thomapyrin Intensiv, voor hoofdpijnklachten terecht afgewezen. Het gebruik van dit middel is medisch niet noodzakelijk voor de dienstverbandaandoening. Appellant brengt die klachten in verband met een onderhuids in zijn hoofd aangetroffen metaaldeeltje. De rechtbank heeft met juistheid verwezen naar de uitspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2013:2527), betreffende een verzoek van appellant om verhoging van zijn invaliditeitspensioen. In die uitspraak is geoordeeld dat er nog geen begin van een aanwijzing naar voren is gekomen dat het metaaldeeltje tijdens de dienstverrichting in het voormalig Nederlands-Indië in het hoofd van appellant terecht is gekomen. Er is geen aanleiding om daarover thans anders te oordelen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2017:3594:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/4561 MPW </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 19 oktober 2017</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van </para>
    <para>14 juli 2014, 12/8377 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Minister van Defensie (minister)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 7 september 2017. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. </para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant heeft van 24 september 1947 tot 24 december 1947 als dienstplichtig marinier gediend in het voormalig Nederlands-Indië. Met ingang van 16 juni 1948 is hij wegens gebreken uit de militaire dienst ontslagen. In 1996 is hem een militair invaliditeitspensioen toegekend. Dit pensioen berust op een invaliditeitspercentage van 60, voortvloeiend uit psychische klachten die in causaal verband staan met de diensttijd in Nederlands-Indië. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij brief van 13 maart 2012 heeft appellant verzocht om een vergoeding van de kosten van het geneesmiddel Thomapyrin Intensiv. Bij besluit van 19 april 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juli 2012 (bestreden besluit), heeft de minister, voor zover hier van belang, dit verzoek afgewezen, op de grond dat het gebruik van het middel Thomapyrin Intensiv medisch niet noodzakelijk is voor de dienstverbandaandoening. Hierbij heeft de minister opgemerkt dat het gaat om een aspecifiek pijnstillend middel en dat appellant niet bekend is met pijnklachten die zijn te relateren aan de dienstverbandaandoening.</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <para>3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Appellant gebruikt het middel Thomapyrin Intensiv voor zijn hoofdpijnklachten. Appellant brengt die klachten in verband met een onderhuids in zijn hoofd aangetroffen metaaldeeltje. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft met juistheid verwezen naar de uitspraak van de Raad van </para>
        <para>21 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2527, betreffende een verzoek van appellant om verhoging van zijn invaliditeitspensioen. In die uitspraak is geoordeeld dat er nog geen begin van een aanwijzing naar voren is gekomen dat het metaaldeeltje tijdens de dienstverrichting in het voormalig Nederlands-Indië in het hoofd van appellant terecht is gekomen. Er is geen aanleiding om daarover thans anders te oordelen. Voor een bewijsopdracht aan de minister bestaat, om de redenen genoemd in de uitspraak van 21 november 2013, geen aanleiding. Het besluit van de minister houdt stand.   </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.   </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) B.J. van de Griend</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) J. Tuit</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>HD</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>