<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2017:2619</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-07-31T11:51:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-07-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/4832 ZVW-V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:2619">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:2619</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-07-28T15:27:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2017:2619 Centrale Raad van Beroep , 18-07-2017 / 15/4832 ZVW-V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2017:2619:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet-ontvankelijk verklaring  hoger beroep omdat het hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2017:2619:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 18 juli 2017</para>
      <para>15/4832 ZVW-V</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van</para>
      <para>22 mei 2015, 14/9531 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">CAK</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 18 november 2015 heeft de Raad het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft verzet gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzet is behandeld ter zitting van 27 juni 2017. Appellante was aanwezig. CAK is niet verschenen. Voorts was als door de Raad opgeroepen tolk in de Russische taal aanwezig</para>
      <para>S.G. Bos. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak van de Raad van 18 november 2015 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vaststaat dat het hogerberoepschrift bij faxbericht van 9 juli 2015, en daarmee twee dagen te laat, is ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verzet heeft appellante het volgende aangevoerd. De aangevallen uitspraak is op</para>
      <para>26 mei 2015 aan haar advocaat gestuurd. Zij heeft op 3 juni 2015 van de advocaat gehoord dat de uitspraak er was en op 6 juni 2015 heeft zij als bijlage bij een op 27 mei 2015 gedateerde brief van hem een kopie ontvangen. Zij was toen druk bezig met de voorbereidingen voor een reis naar Sint Petersburg (Rusland) met vertrek op 18 juni 2015. Op 15, 16 en 17 juni 2015 heeft zij telefonisch overleg met de advocaat gehad. Op 17 juni 2015 heeft zij nog een faxbericht aan de advocaat gestuurd. Gedurende haar verblijf in Sint Petersburg zijn er geen contacten geweest. In de nacht van 6 op 7 juli 2015 keerde appellante terug in Nederland. Op 7 juli 2015, de laatste dag van de hogerberoepstermijn, nam zij haar post door en stelde vast dat er geen stukken van de advocaat waren. Het lukte haar niet die dag contact met hem te krijgen. Op 8 juli 2015 vernam zij dat de advocaat niets meer had gedaan en toen was het te laat om zelf nog tijdig hoger beroep in te stellen.      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet in het betoog van appellante geen grond om zijn uitspraak van 18 november 2015 onjuist te achten. Volgens vaste rechtspraak zijn - mogelijke - fouten en tekortkomingen van een rechtsbijstandverlener voor risico van de cliënt. Daar komt bij dat in dit geval de advocaat in de op 27 mei 2015 gedateerde brief aan appellante heeft bericht haar in (een eventueel) hoger beroep niet te zullen bijstaan. Ten slotte is van belang dat appellante op</para>
      <para>7 juli 2015, toen duidelijk was dat zij de advocaat niet kon bereiken en zij niet wist of de advocaat wel of niet hoger beroep had ingesteld, zelf een - kort - hogerberoepschrift had kunnen indienen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzet is ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet aanleiding te bepalen dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad aan appellante wordt terugbetaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het verzet ongegrond;</para>
    <para>- bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- aan appellante wordt </para>
    <para>  terugbetaald.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) T.G.M. Simons</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.W.L. van der Loo </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>AB</title>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>