<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2017:2176</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-06-22T12:16:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-06-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/570 ZVW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:2176">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:2176</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-06-21T16:27:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2017:2176 Centrale Raad van Beroep , 21-06-2017 / 16/570 ZVW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2017:2176:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoeken van appellanten om terug te komen van de vastgestelde buitenlandbijdrage voor 2006. Geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2017:2176:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>16/570 ZVW, 16/571 ZVW </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 21 juni 2017</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van <?linebreak?>15 december 2015, 14/4171 en 14/4172 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats], België (appellanten)</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>CAK</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>CAK heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2017. Appellant is – mede namens appellante – verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Imhoff.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluiten van 8 maart 2010 heeft CAK de op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet (Zvw) verschuldigde bijdrage (buitenlandbijdrage) voor 2006 vastgesteld op € 3.460,15 voor appellant en op € 3.530,68 voor appellante. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij beslissingen op bezwaar van 8 oktober 2010 en 15 november 2010 heeft </para>
        <para>CAK de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 8 maart 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat de Belastingdienst aan CAK heeft doorgegeven dat de wereldinkomens van appellanten ambtshalve zijn vastgesteld op € 41.000,-. Om die reden heeft CAK de verschuldigde buitenlandbijdragen berekend over het maximum inkomen, zijnde € 30.015,- voor de procentuele bijdrage Zvw en € 30.632,- voor de procentuele bijdrage Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Verder is vermeld dat appellanten, indien zij het niet eens zijn met de hoogte van de door de Belastingdienst vastgestelde inkomens, daartegen bij de Belastingdienst bezwaar kunnen maken dan wel kunnen verzoeken om de beschikkingen Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi-beschikkingen) te herzien. In het geval de Belastingdienst overgaat tot herziening van de NiNbi-beschikkingen kunnen appellanten CAK verzoeken om herziening van de jaarafrekeningen. Tegen de beslissingen op bezwaar van <?linebreak?>8 oktober 2010 en 15 november 2010 hebben appellanten geen rechtsmiddelen aangewend. Evenmin hebben appellanten zich tot de Belastingdienst gewend om bezwaar te maken of herziening te verzoeken.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluiten van 13 januari 2014 heeft CAK de verzoeken van appellanten om terug te komen van de vastgestelde buitenlandbijdrage voor 2006, omdat CAK bij de berekening is uitgegaan van onjuiste inkomens, afgewezen. Herziening is volgens CAK alleen mogelijk op grond van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden. Hiervan is geen sprake, omdat CAK van de Belastingdienst geen nieuwe inkomensgegevens heeft ontvangen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij besluiten van 23 mei 2014 (bestreden besluiten) heeft CAK de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 13 januari 2014 ongegrond verklaard. Volgens CAK is bij appellanten geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De Belastingdienst heeft desgevraagd bevestigd dat er geen nieuwe inkomensgegevens bekend zijn. </para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – voor zover van belang – de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. </para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. </para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De verzoeken van appellanten strekken ertoe dat CAK terugkomt van zijn eerdere, rechtens onaantastbare, besluiten tot vaststelling van de buitenlandbijdrage voor 2006.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Appellanten hebben aangevoerd dat CAK bij de vaststelling van de buitenlandbijdrage voor 2016 is uitgegaan van onjuiste inkomensgegevens en zij hebben ter onderbouwing hiervan diverse (fiscale) stukken overgelegd. Nu CAK voor de vaststelling van de buitenlandbijdrage uit dient te gaan van de gegevens van de Belastingdienst en noch uit de door appellanten ingediende stukken, noch uit de door CAK ingewonnen informatie bij de Belastingdienst blijkt dat bij de Belastingdienst nieuwe inkomensgegevens bekend zijn, heeft CAK met juistheid vastgesteld dat van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb geen sprake is. Dat appellanten door een beleidswijziging van CAK de voor 2007 vastgestelde buitenlandbijdrage niet meer hoeven te betalen is evenmin een nieuw feit of veranderde omstandigheid als hier bedoeld. Dit beleid ziet op de invordering van de verschuldigde buitenlandbijdrage en niet op de vaststelling daarvan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Uit de onder 4.2 genoemde uitspraak van de Raad van 20 december 2016 volgt dat de vaststelling dat van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is de afwijzing van een verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel kan dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek evident onredelijk is. De stelling van appellanten dat zij door de vastgestelde buitenlandbijdrage voor 2006 in financiële problemen zijn gekomen leidt niet tot het oordeel dat de bestreden besluiten evident onredelijk zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) L.M. Tobé</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) B. Dogan </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>SS</title>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>