<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2017:1549</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-04-26T11:29:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-04-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/4243 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:1549">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:1549</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-04-24T08:57:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2017:1549 Centrale Raad van Beroep , 11-04-2017 / 15/4243 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2017:1549:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afgewezen aanvraag. Niet wonen binnen de gemeente.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2017:1549:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>15/4243 WWB </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 11 april 2017</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van </para>
    <para>27 mei 2015, 14/7104 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Namens appellant heeft mr. T.P. Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2017. Namens appellant </para>
    <para>is verschenen mr. Boer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
    <para>mr. M.A. de Ronde.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant heeft zich op 8 april 2014 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 16 april 2014 heeft appellant de aanvraag ingediend. Daarbij heeft appellant als woonadres opgegeven [opgegeven adres] te [woonplaats] (opgegeven adres). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. In dat kader is op 26 mei 2014 een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 mei 2014.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 27 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 september 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. Hij heeft daarmee niet voldaan aan de op grond van artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. </para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De te beoordelen periode loopt in dit geval van 8 april 2014 tot en met 27 mei 2014.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand. In geval van een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf heeft gehad op het opgegeven adres. Het college heeft een huisbezoek afgelegd teneinde het door appellant opgegeven woonadres te verifiëren. In zoverre kan appellant niet worden gevolgd in zijn stelling dat het college geen onderzoek heeft verricht om zijn verblijfplaats te controleren. Tijdens het huisbezoek op 26 mei 2014 is geconstateerd dat er in de woning geen meubilair aanwezig was, dat de woning niet was gestoffeerd, dat zich in de keuken geen koelkast bevond en dat op meerdere plaatsen klusspullen lagen. Desgevraagd heeft appellant verklaard dat hij aan het klussen was en dat zich om die reden nog geen spullen in de woning bevonden, dat hij bij zijn moeder in [plaatsnaam] sliep en dat daar ook zijn persoonlijke spullen lagen en, ten slotte, dat hij af toe bij zijn broer in [woonplaats] sliep en dat hij daar twee T-shirts had liggen. Onder deze omstandigheden bestond er voor het college geen aanleiding om nader onderzoek te verrichten op het adres van de broer van appellant. Appellant heeft bij zijn aanvraag immers niet opgegeven ook op dat adres te verblijven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) E.C.R. Schut</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) A.M. Pasmans</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>sg</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>