<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:924</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-10T18:13:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-03-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-03-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/2057 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SZR-Updates.nl 2016-0230</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:924">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:924</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-03-17T10:34:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:924 Centrale Raad van Beroep , 11-03-2016 / 14/2057 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:924:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beëindiging WAO-uitkering. minder dan 15% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:924:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/2057 WAO </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 11 maart 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van </para>
    <para>26 maart 2014, 13/8749 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellant heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2015<emphasis role="italic">. </emphasis>Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dezfouli. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>In het kader van een professionele herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van </para>
        <para>8 mei 2013, met inachtneming van de onderzoeksrapporten van verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 9 juli 2013 beëindigd, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het tegen het besluit van 8 mei 2013 gerichte bezwaar van appellant is, met verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard bij besluit van 10 oktober 2013 (bestreden besluit).</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zij geen aanleiding heeft het onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Verder heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn om het medisch oordeel van de verzekeringsartsen onjuist te achten.<?linebreak?></para>
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de besluitvorming is gebaseerd op onjuiste feiten. Ter zitting heeft appellant aanvullend aangevoerd dat de beperkingen die zijn opgenomen als gevolg van zijn medicijngebruik niet voldoen. Verder is niet voldoende rekening gehouden met de brief van I-Psy van 28 juni 2013.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank wordt gevolgd in haar overwegingen dat zich in deze zaak geen aanleiding voordoet om het onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Evenmin zijn er aanknopingspunten om het medisch oordeel van de verzekeringsartsen onjuist te achten. Het betoog van appellant dat de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van </para>
        <para>18 september 2013 gestelde beperkingen, gelet op de brief van zijn behandelend psycholoog van I-Psy van 28 juni 2013 én zijn medicijngebruik, niet voldoen, gaat niet op. De verzekeringsarts heeft in de FML van 24 april 2013 reeds beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en voor wat betreft de werktijden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens, na kennisname van de brief van I-Psy, geconcludeerd dat in de aangeleverde stukken van de huidige behandelaar geen aanwijzingen gevonden worden voor ernstiger psychische problematiek in verband waarmee meer beperkingen aangenomen dienen te worden dan reeds waren vastgelegd in de FML van </para>
        <para>24 april 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft evenwel in de omstandigheid dat appellant was gestart met medicatie aanleiding gezien een nieuwe FML, met datum </para>
        <para>18 september 2013, op te stellen waarbij rekening wordt gehouden met enige verminderde waakzaamheid. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de door deze arts vastgestelde beperkingen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Gelet op overweging 4.1 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en G. van Zeben- de Vries en </para>
      <para>H. van Leeuwen als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.P.M. Zeijen </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) W. de Braal </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>AP</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>