<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:521</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-02-23T16:18:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-02-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/1866 AOR-T</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:521">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:521</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-02-18T14:55:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:521 Centrale Raad van Beroep , 18-02-2016 / 14/1866 AOR-T</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:521:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak. Afwijzing AOR-aanvraag omdat geen bevestiging is verkregen van de door appellante gestelde oorlogsgebeurtenissen. Nieuwe feiten tijdens hoorzitting. Opdracht tot herstel gebrek. Volledige heroverweging.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:521:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/1866 AOR-T </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 18 februari 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Tussenuitspraak in het geding tussen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen </para>
    <para>(Stb. 2014, 583), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad in de plaats getreden van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de</para>
  </parablock>
  <para>- voormalige - CAOR verstaan.</para>
  <parablock>
    <para>Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 maart 2014, kenmerk 0001196/CAOR (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2016. Voor appellante is verschenen mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
    <para>A.L. van de Wiel.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <para>1. Appellante is geboren in 1950 in het toenmalig Nederlands-Indië. In juli 2011 heeft zij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de AOR. Bij besluit van 31 juli 2013 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat geen bevestiging is verkregen van de door appellante gestelde oorlogsgebeurtenissen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para>2. <?linebreak?>In beroep is namens appellante te kennen gegeven dat de gestelde gevangenenuitbraak van 2 juli 1952 en de gebeurtenissen rond deze uitbraak als oorlogsgeweld in de zin van de AOR moeten worden beschouwd. Verder is appellante van mening dat de in bezwaar genoemde brandstichtingen bij de heroverweging in bezwaar betrokken hadden moeten worden en niet mochten worden behandeld als nieuwe aanvraag.  </para>
    <para />
    <para>3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang: </para>
        <para>het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen </para>
      </parablock>
      <para>- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen; </para>
      <para>- gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;</para>
      <para>- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het bestreden besluit steunt op de overweging dat de gevangenenuitbraak, die blijkens de gedingstukken plaatsvond in Soerabaja na het gevangenisoproer van 2 juli 1952, niet kan worden aangemerkt als een oorlogscalamiteit in de zin van de AOR.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De Raad volgt verweerder in dit standpunt. De gevangenenuitbraak en de gevolgen daarvan vormen geen omstandigheden die met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen als bedoeld in artikel 1 van de AOR en kunnen om die reden niet worden aangemerkt als oorlogsgeweld in de zin van de AOR. Dat appellante als jong kind de gevangenenuitbraak als angstig heeft ervaren kan niet tot een ander oordeel leiden. Het beroep van appellante treft geen doel.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.4.1.</nr>
        <para>Tijdens de hoorzitting in bezwaar hebben twee zusters van appellante gesteld dat hun ouderlijke woning tot tweemaal toe in brand is gestoken. Deze brandstichtingen zijn door verweerder aangemerkt als nieuwe feiten die ten tijde van het nemen van het primaire besluit niet bekend waren en daarin ook niet zijn opgenomen. In het bestreden besluit heeft verweerder dan ook gesteld dat het inbrengen van deze nieuwe gegevens wordt aangemerkt als een nieuwe aanvraag. Verweerder ziet zich in deze handelswijze gesteund door de uitspraak van de Raad van 16 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1775.   </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.2.</nr>
        <para>Anders dan verweerder veronderstelt, beschrijft de hiervoor genoemde uitspraak alleen de situatie waarin aanleiding bestaat voor een afwijkende ingangsdatum van de toekenningen in het kader van de AOR indien een causale invaliditeit wordt vastgesteld op grond van in bezwaar aangevoerde geheel nieuwe en niet eerder beoordeelde ziekten of gebreken die in feite tot een nieuwe aanvraag zouden nopen. Die situatie doet zich hier niet voor. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.3.</nr>
        <para>Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0299) is de onder 3.4.1 beschreven wijze van “getrapte” besluitvorming onjuist en in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder was gehouden op grondslag van het bezwaar het primaire besluit in volle omvang te heroverwegen. Dit gebrek zal alsnog moeten worden hersteld. Hierbij is in aanmerking genomen dat, zoals ter zitting namens verweerder is bevestigd, verweerder op de als nieuwe aanvraag aangemerkte feiten nog niet heeft beslist.</para>
        <para />
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep draagt verweerder op binnen drie maanden na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 18 maart 2014 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) A. Beuker-Tilstra</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) A. Mansourova</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HD</title>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>