<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:4742</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-12-19T10:01:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-12-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/2918 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:4742">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:4742</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-12-12T13:01:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-12-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:4742 Centrale Raad van Beroep , 06-12-2016 / 15/2918 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:4742:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Omvang geding bij besluitvorming na uitspraak Raad. Omvang arbeid kan niet meer aan de orde komen. Opnieuw horen niet noodzakelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:4742:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>15/2918 WWB </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 6 december 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 mei 2015, 14/5010 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellant heeft mr. J.D. Nijenhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 10 mei 2016. Namens appellant is verschenen mr. Nijenhuis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Krol.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant ontving sinds 20 januari 1998 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij besluit van 24 maart 2011 heeft het college de algemene bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2011 en de bijzondere bijstand over de periode van </para>
        <para>1 januari 2004 tot en met 31 maart 2011 ingetrokken en de over die perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 135.800,67 van appellant teruggevorderd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij besluit van 19 december 2011 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van </para>
        <para>24 maart 2011 deels gegrond verklaard, zowel de bijzondere als de algemene bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2011 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 130.207,42 van appellant teruggevorderd. De besluitvorming berust primair op de overweging dat appellant en zijn echtgenote door geen melding te maken van de activiteiten van appellant als toezichthouder/kamerverhuurder de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij uitspraak van 25 september 2012 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 19 december 2011 ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <parablock>
        <para>De Raad heeft bij uitspraak van 17 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2130, het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 september 2012 gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van </para>
        <para>19 december 2011 voor zover dat ziet op de intrekking over de periode van 1 januari 2005 tot 9 februari 2006 en van 1 januari 2007 tot 14 juli 2009 en de terugvordering vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad heeft - samengevat weergegeven - overwogen dat het appellant en zijn echtgenote redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze werkzaamheden van invloed konden zijn op hun recht op bijstand. Door het college hiervan niet op de hoogte te stellen hebben zij de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandverlenend orgaan gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, mag daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening worden gelaten. Het college heeft ter zitting van de Raad erkend dat het niet kan volhouden dat het recht op bijstand van appellanten over de gehele periode in geding, namelijk vanaf 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2011, niet schattenderwijs is vast te stellen. Het college heeft ter zitting van de Raad het standpunt ingenomen dat appellant naar schatting </para>
        <para>vijftien uur per maand bezig is geweest met zijn werkzaamheden. Geen aanleiding bestaat om dit aantal uren op minder dan vijftien per maand vast te stellen. Appellant had voor zijn werkzaamheden het toentertijd geldende minimumloon kunnen bedingen. Hieruit volgt dat het college de aanvullende bijstand van appellanten had kunnen en dus moeten vaststellen op basis van de voor hen geldende norm minus het voor appellant destijds geldende minimumloon voor vijftien uur per maand.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college een nieuw besluit genomen. Bij besluit van 30 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 8 februari 2006 en 1 januari 2007 tot en met 13 juli 2009 herzien en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van </para>
        <para>€ 4.980,- van appellant teruggevorderd. Daarbij is uitgegaan van de geldende norm minus de inkomsten tegen het voor appellant destijds geldende minimumloon voor vijftien uur per maand. Daarnaast heeft het college de totale terugvordering vastgesteld op € 61.669,- en medegedeeld dat de terugvordering over de periode van 9 februari 2006 tot 1 januari 2007 en van 14 juli 2009 tot 1 april 2011, die inmiddels in rechte vaststaat, in totaal € 56.689,- bedraagt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het college met het besluit van </para>
      <parablock>
        <para>30 september 2014 juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 17 juni 2014. De Raad heeft in zijn uitspraak, onder rechtsoverweging 4.5, aangegeven dat er geen aanleiding bestaat om het door het college ter zitting ingenomen standpunt dat appellant naar schatting vijftien uur per maand bezig is geweest met zijn werkzaamheden op minder dan </para>
        <para>vijftien uur per maand vast te stellen. Gelet hierop kan in de onderhavige procedure niet meer aan de orde komen het aantal uren per maand dat appellant werkzaamheden zou hebben verricht. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 7 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9829) artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet een algemene verplichting inhoudt tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak waarbij de eerste beslissing op bezwaar is vernietigd. Weliswaar kan het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk zijn om een belanghebbende bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar opnieuw te horen, maar in dit geval doet zich een zodanige situatie niet voor. Blijkens de uitspraak van de Raad was de opdracht aan het college slechts een rekenkundige.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen - zoals hiervoor onder 2 samengevat weergegeven - waarop dat oordeel berust.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) A.M. Overbeeke</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is verhinderd te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>HD</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>