<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:4649</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-12-09T10:34:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-12-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-12-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/8187 WUV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:4649">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:4649</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-12-08T10:18:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:4649 Centrale Raad van Beroep , 08-12-2016 / 15/8187 WUV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:4649:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag om een Wuv-uitkering toe te kennen. De oorlogsomstandigheden van appellante zijn niet zodanig geweest dat zij met de vervolgde kan worden gelijkgesteld. Dat appellante in Indonesië is achtergebleven terwijl een groot deel van haar familie naar Nederland is vertrokken vormt geen omstandigheid op grond waarvan zij met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:4649:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>15/8187 WUV </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 8 december 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak in het geding tussen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] , Indonesië (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 november 2015, kenmerk BZ01855296 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Daar is namens appellante mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
    <para>A.T.M. Vroom-van Berckel.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante, geboren in 1939, heeft in september 2001 bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Die aanvraag is afgewezen, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 november 2002, op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Het tegen het besluit van 29 november 2002 ingestelde beroep is door de Raad ongegrond verklaard bij uitspraak van 9 oktober 2003 (nummer 03/220 WUBO). In die uitspraak is overwogen dat van de door appellante gestelde vlucht met haar vader naar de bossen alwaar zij zich tot in de Bersiap-periode schuil hebben gehouden geen objectieve bevestiging is verkregen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In juni 2014 heeft appellante bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv. Die aanvraag is afgewezen bij besluit van 12 maart 2015 en na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Verweerder heeft overwogen dat appellante geen vervolging heeft ondergaan. In de oorlogsomstandigheden van appellante heeft verweerder geen aanleiding gezien haar met de vervolgde gelijk te stellen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.  De Raad komt op grond van hetgeen in beroep is aangevoerd tot de volgende beoordeling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij de onder 1.1 genoemde uitspraak is al vastgesteld dat er geen bevestiging van kan worden verkregen dat appellante ondergedoken is geweest. In het kader van deze aanvraag zijn geen andersluidende gegevens ingediend of verkregen. De in beroep aangevoerde argumenten zijn al in bedoelde Wubo-procedure beoordeeld en behoeven in deze procedure geen verdere bespreking.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Verder wordt het standpunt van verweerder onderschreven dat de oorlogsomstandigheden van appellante niet zodanig zijn geweest dat zij met de vervolgde kan worden gelijkgesteld. Dat appellante in Indonesië is achtergebleven terwijl een groot deel van haar familie naar Nederland is vertrokken vormt geen omstandigheid op grond waarvan zij met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) B.J. van de Griend</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) A. Mansourova</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HD</title>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>