<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:446</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-10T18:16:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-02-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-01-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/6344 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SZR-Updates.nl 2016-0092</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:446">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:446</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-02-09T14:52:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:446 Centrale Raad van Beroep , 29-01-2016 / 14/6344 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:446:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking loonaanvullingsuitkering. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellante onjuist is vastgesteld. Geen twijfel aan de medische geschiktheid van de geduide functies.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:446:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/6344 WIA </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 29 januari 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van </para>
    <para>19 september 2014, 14/5061 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellante heeft mr. R.M. Duijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Appellante heeft een nader stuk ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door opvolgend gemachtigde mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante heeft gewerkt als aankomend filiaalmanager voor 37 uur per week en is wegens psychische klachten op 3 maart 2007 uitgevallen. Bij besluit van 18 februari 2009 is aan appellante een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend over de periode van 28 februari 2009 tot 28 juli 2010, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 57%. Met ingang van 28 juli 2010 is de uitkering omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Appellante is in een andere functie voor 20 uur per week bij haar werkgever blijven werken. In juni 2012 meldt zij zich vervolgens ziek met vermoeidheidsklachten. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek is de WGA-loonaanvullingsuitkering ongewijzigd voortgezet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 17 december 2013 heeft het Uwv de loonaanvullingsuitkering van appellante met ingang van 18 februari 2014 ingetrokken omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Aan dit besluit zijn rapporten ten grondslag gelegd van een verzekeringsarts van 12 november 2013, met bijbehorende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van eenzelfde datum, en van een arbeidsdeskundige van 10 december 2013.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Appellante heeft tegen het besluit van 17 december 2013 bezwaar gemaakt en heeft daartoe aangevoerd dat zij wegens haar vermoeidheidsklachten en psychische klachten praktisch geen arbeid kan verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft psychiater Van der Wurff ingeschakeld om expertise te verrichten. Van der Wurff heeft bij expertise-rapport van 25 april 2014 verslag gedaan van zijn bevindingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van dit rapport de FML op 7 mei 2014 aangepast. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 13 mei 2014 geconcludeerd dat appellante onverminderd geschikt wordt geacht de haar voorgehouden functies te verrichten. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 december 2013 bij beslissing op bezwaar van 14 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. </para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar haar beperkingen. Zij meent dat haar vermoeidheidsklachten en psychische beperkingen door het Uwv zijn onderschat. In het verleden is wel een urenbeperking aangenomen en deze is ten onrechte komen te vervallen. Appellante heeft verzocht om benoeming van een deskundige die haar zou moeten onderzoeken. Tot slot is appellante van mening dat zij medisch niet in staat is de geduide functies te verrichten.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellante op 18 februari 2014 terecht onderschreven. Daarbij is van belang dat deze arts een dossieronderzoek heeft verricht, de hoorzitting heeft bijgewoond en appellante aansluitend aan de hoorzitting psychisch heeft onderzocht. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de in bezwaar overgelegde brief van 20 januari 2014 van internist dr. J. Vernooij, verbonden aan het Vermoeidheid&amp;PijnCentrum Nederland, en het expertise-verslag van Van der Wurff bij het onderzoek betrokken. In het rapport van 7 mei 2014 wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop dat psychiater Van der Wurff van oordeel is dat bij appellante sprake is van een dysthyme stoornis. De vermoeidheidsklachten lijken onderdeel van dit beeld. Er is geen somatische oorzaak gevonden voor de vermoeidheid. Bij appellante zijn er vooral beperkingen in het uithoudingsvermogen, het hanteren van emotionele problemen en in het vermogen tot samenwerken, aldus Van der Wurff. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van zijn onderzoek geconcludeerd dat appellante in staat wordt geacht arbeid te verrichten, zij het dat rekening moet worden gehouden met een verminderde psychische belastbaarheid en een verminderd uithoudingsvermogen. De informatie van internist Vernooij, die op basis van een intake tot chronische vermoeidheid concludeert, leidt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet tot een ander oordeel. Het onderzoek van Vernooij wordt gekenmerkt door zelfregistratie bij gesloten vragen en is daarnaast onvolledig. De motivering op grond waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn oordeel over de belastbaarheid van appellant heeft gevormd overeenkomstig de bevindingen van Van der Wurff is inzichtelijk en overtuigend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van het huidige onderzoek geen aanleiding gezien om de in het verleden aangenomen urenbeperking te continueren. Noch in beroep, noch in hoger beroep heeft appellante medische informatie overgelegd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de urenbeperking niet had mogen vervallen. Evenmin zijn er aanknopingspunten voor het oordeel dat zij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgesteld dan wel dat de in bezwaar overgelegde medische informatie onjuist is beoordeeld. In de brief van GZ-psycholoog J.D. Ritter van </para>
        <para>26 augustus 2014 wordt vermeld dat appellante in de periode 2009 tot 2012 onder behandeling stond, vanwege een depressieve stoornis en trauma. Een actueel oordeel over de belastbaarheid kon Ritter niet geven, omdat appellante al twee jaar niet meer onder behandeling is. Ook de huisarts kon blijkens de brief van 18 juni 2014 geen antwoord geven op de vraag naar de belastbaarheid van appellante. De onderzoeksrapportage van </para>
        <para>GZ-psycholoog A.T. Visser van 9 juli 2015 maakt melding van een persoonlijkheidsstoornis, maar dit onderzoek dateert van ver na de datum in geding, is niet door een medicus verricht en geeft bovendien geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellante onjuist is vastgesteld. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Uitgaande van de juistheid van de FML van 7 mei 2014 is er geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de voor appellante geduide functies. De arbeidsdeskundige heeft in het formulier Resultaat functiebeoordeling van 16 december 2013 en in zijn rapport van 10 december 2013 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 13 mei 2014 afdoende gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellante in deze functies niet wordt overschreden. Om deze reden hoeft, zoals ter zitting is besproken, niet te worden ingegaan op het standpunt van appellante dat haar maatmaninkomen onjuist is geindexeerd.    </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en E. Dijt en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.W. Schuttel</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.R. van Ravenstein</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>IvR</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>