<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:416</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-02-12T15:25:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-01-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/6545 WAZ</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#herziening">Herziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBZWB:2014:7065" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7065, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:416">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:416</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-02-04T13:19:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-02-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:416 Centrale Raad van Beroep , 27-01-2016 / 14/6545 WAZ</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:416:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigering terug te komen van eerder genomen besluit. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:416:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/6545 WAZ </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 27 januari 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 oktober 2014, 14/2664 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij besluit van 8 januari 2009 heeft het Uwv de uitkeringen van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) verhoogd, en het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld 80-100%. Tevens is bij dat besluit een berekening gevoegd van de uitkering. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt, zodat het in rechte vaststaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij brief van 4 november 2013 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop het Uwv zijn Belgische arbeidsongeschiktheidsuitkering, die appellant ontvangt van de Christelijke Mutualiteitsuitkering, verrekent met zijn WAO- en WAZ-uitkeringen. Deze brief is door het Uwv opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 8 januari 2009. Bij besluit van 18 december 2013 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 9 (lees:8) januari 2009.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Het door appellant tegen het besluit van 18 december 2013 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 28 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, die er toe zouden leiden dat het besluit van 8 januari 2009 niet in stand zou kunnen worden gelaten.</para>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Er is geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, die tot heroverweging van het besluit van 8 januari 2009 nopen. Appellant had zijn bezwaren eerder naar voren kunnen en moeten brengen. Het Uwv heeft het verzoek van appellant terecht met een beroep op artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.</para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant wederom bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop zijn Belgische arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verrekend met zijn WAO- en </para>
      <para>WAZ-uitkering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Het oordeel van de rechtbank dat artikel 4:6 van de Awb zich verzet tegen een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van appellant om terug te komen het besluit van </para>
        <para>8 januari 2009 wordt volledig onderschreven. Appellant had zijn bezwaren tegen dat besluit eerder naar voren kunnen en moeten brengen. Er is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die aan appellant niet bekend waren dan wel bekend hadden moeten zijn.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Eveneens in navolging van wat de rechtbank heeft overwogen wordt nog opgemerkt dat appellant zijn inhoudelijke bezwaren tegen de wijze van berekening van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering diverse malen bij het Uwv, als ook in rechte aan de orde heeft gesteld. Bij zijn uitspraak van 20 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5373) heeft de Raad overwogen dat voor die bezwaren geen steun in de wet- en regelgeving is te vinden. Het cassatieberoep tegen die uitspraak is bij arrest van 12 juli 2013 (ECLI:NL:2013:177) door de Hoge Raad ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5.Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van M.A.E. Adamsson als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.J.T. van den Corput </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M.A.E. Adamsson </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>AP</title>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>