<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:3344</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-10T17:52:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-09-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-09-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15-8098 zw</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROT:2015:8787" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:8787, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SZR-Updates.nl 2016-0947</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:3344">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:3344</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-09-12T14:32:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:3344 Centrale Raad van Beroep , 07-09-2016 / 15-8098 zw</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:3344:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beëindiging ZW-uitkering. Het Uwv is er terecht van uitgegaan dat appellant weer geschikt was voor zijn werk als steigerbouwer.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:3344:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>15/8098 ZW 			</para>
  <para>Datum uitspraak: 7 september 2016</para>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van </para>
    <para>2 december 2015, 15/2303 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellant heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Baaren. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
    <para>mr. L.J.M.M. de Poel. </para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Appellant is werkzaam geweest als steigerbouwer voor 40 uur per week. Vanaf enig moment in december 2014 heeft appellant geen werkgever meer. Appellant heeft zich op </para>
        <para>29 december 2014 ziek gemeld met pijn in de rechterarm, de onderrug en rechterknie. Op grond van de nawerking van de op dat moment reeds beëindigde verplichte verzekering op grond van de sociale werknemersverzekeringswetten heeft het Uwv bij besluit van </para>
        <para>20 januari 2015 vastgesteld dat appellant met ingang van 29 december 2014 recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 25 februari 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 26 februari 2015 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van steigerbouwer. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 25 februari 2015 vastgesteld dat appellant per 26 februari 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 23 maart 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 maart 2015 ten grondslag.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest en de conclusie dat appellant per 26 februari 2015 zijn eigen werk kan verrichten, kan dragen. Dat appellant heeft aangevoerd meer last te hebben van zijn onderrug, rechterknie en elleboog en intense pijn ervaart, is onvoldoende om het bestreden besluit voor onjuist te houden. Hierbij is van belang dat het niet gaat om de ervaren klachten als zodanig, maar om als objectief medisch gevolg van ziekte vastgestelde beperkingen bij het verrichten van arbeid. De stelling van appellant dat hij zijn eigen lichaam het beste kent is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Het medisch beeld op de datum in geding dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gehad is niet onvolledig geweest. Ook de informatie van de huisarts van 9 april 2015 bevat geen nieuwe informatie die het medisch beeld op de datum in geding doet wijzigen. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel gerezen aan de juistheid van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 maart 2015.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij veel pijn heeft, zijn eigen lichaam het beste kent en niet in staat is te werken en dat gewone behandeling niet helpt.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het Uwv heeft gepleit voor bevestiging van de aangevallen uitspraak. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht ervan is uitgegaan dat appellant op </para>
        <para>26 februari 2015 weer geschikt was voor zijn werk als steigerbouwer en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij veel pijn heeft, niet kan werken en zijn eigen lichaam het beste kent. Deze argumenten zijn door de rechtbank volledig besproken en met juistheid weerlegd. Er is geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan zodat hier wordt volstaan met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door F.M.S. Requisizione, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>7 september 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) F.M.S. Requisizione</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.W.L. van der Loo</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>GdJ</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>