<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:2989</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-10T17:55:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-08-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-07-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/2112 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SZR-Updates.nl 2016-0845</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:2989">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:2989</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-08-09T15:56:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-08-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:2989 Centrale Raad van Beroep , 22-07-2016 / 15/2112 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:2989:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ongewijzigde vaststelling arbeidsongeschiktheid. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:2989:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>15/2112 WIA </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 22 juli 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van <?linebreak?>2 maart 2015, 14/3244 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Namens appellante heeft mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen hebben nadere stukken ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. De Kort. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
    <para>V.A.R. Kali.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1.Appellante heeft haar werkzaamheden als assistent planner op 27 februari 2009 gestaakt wegens lichamelijke klachten. Bij besluit van 17 januari 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 25 februari 2011 op grond van artikel 54 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een loongerelateerde </para>
      <para>WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 40%. Met ingang van 25 augustus 2011 is appellante in aanmerking gebracht voor een </para>
      <para>WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 35 tot 80%. Met ingang van 1 maart 2012 heeft het Uwv appellante in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Naar aanleiding van een melding van verslechtering van haar gezondheid heeft het Uwv bij besluit van 8 januari 2013 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante herzien naar de klasse van 45-55%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 16 september 2013 heeft appellante aan het Uwv gemeld dat haar gezondheid met ingang van 23 mei 2013 is verslechterd. Na een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 13 februari 2014 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ongewijzigd vastgesteld op 45-55%.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 14 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 februari 2014 ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig of onjuist is verlopen. Zij heeft voorts geen reden gezien tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, verwoord in zijn rapport van 28 juli 2014, onderschreven dat de neurologische bevindingen van 23 mei 2013, zoals neergelegd in de brief van de neuroloog dr. E. Hoitsma van 23 mei 2013 geen concrete aanknopingspunten bieden voor een toename van de arbeidsbeperkingen van appellante. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 december 2013, geldig vanaf 23 mei 2013. Uitgaande van de juistheid de bij appellante vastgestelde medische beperkingen heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de ten behoeve van het bestreden besluit geselecteerde functies voor appellante niet geschikt zouden zijn. Concluderend heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv bij het bestreden besluit de uitkering van appellante terecht ongewijzigd heeft gelaten.</para>
      <para />
      <para>3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij appellante naar aanleiding van de sarcoïdose ook dunnevezelneuropathie is ontstaan. Deze laatste, zeldzame, aandoening is niet goed onderkend door de verzekeringsartsen van het Uwv. Als gevolg van deze ziekte is de gezondheidstoestand van appellante verder verslechterd. Daarom is het voor haar onmogelijk is om enkele uren per dag actief werkzaam te zijn. Appellante is niet in staat de aan de geselecteerde functies verbonden werkzaamheden te verrichten.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad oordeelt als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Terecht en op basis van een juiste motivering heeft de rechtbank geconcludeerd dat zorgvuldig medisch onderzoek is verricht door de verzekeringsartsen en dat op grond van de beschikbare gegevens, waaronder ook de informatie van de behandelend artsen van appellante, niet is gebleken dat de medische beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid zijn onderschat. Met betrekking tot de beroepsgrond dat de dunnevezelneuropathie niet is onderkend wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 28 juli 2014 reeds te kennen gegeven dat de behandelend neuroloog Hoitsma in zijn brief van 23 mei 2013 deze diagnose niet heeft gesteld. Ook in de brief van de neuroloog </para>
        <para>dr. J.A.P. Hiel van 13 oktober 2009 wordt de diagnose dunnevezelneuropathie niet gesteld. Gesteld wordt (slechts) dat de klachten van appellante anamnestisch zouden kunnen passen bij deze diagnose. Appellante heeft geen nadere gegevens in het geding gebracht op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat deze diagnose (thans) wel voldoende geobjectiveerd blijkt. In zijn rapport van 24 juli 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook overtuigend gemotiveerd dat er onvoldoende zware argumenten zijn om tot een verdergaande urenbeperking te komen. Appellante wordt in staat geacht ongeveer 6 uur per dag/30 uur per week te werken, maar niet ’s nachts en niet is wisselende diensten. Gelet op dat rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, nog eens kernachtig samengevat in zijn rapport van </para>
        <para>6 juni 2016, kan in samenhang bezien niet worden gezegd dat appellante met de door de verzekeringsarts opgestelde, vanaf 23 mei 2013 geldige, en in bezwaar in stand gelaten, FML tekort is gedaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Aldus uitgaande van deze FML is geen reden voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat appellante geschikt is te achten voor de functies van assistent consultatiebureau, machinaal metaalbewerker en samensteller kunststof en rubberindustrie. De bij deze functies voorkomende signaleringen zijn in het rapport van 11 augustus 2014 voldoende toegelicht. Het verlies aan verdienvermogen is vervolgens vastgesteld op 49,8%, dus vallend in de klasse van 45 tot 55%. Van een toegenomen arbeidsongeschiktheid per saldo dan geen sprake.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.P.M. Zeijen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) G.J. van Gendt</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>UM</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>