<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:2869</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-07-29T12:00:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-07-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/6976 WUV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:2869">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:2869</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-07-28T14:16:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:2869 Centrale Raad van Beroep , 28-07-2016 / 14/6976 WUV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:2869:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Terecht geweigerd de eerdere afwijzende besluiten te herzien. Geen nieuwe feiten of gegevens naar voren gebracht die tot een andere beslissing zouden moeten leiden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:2869:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/6976 WUV </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 28 juli 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak in het geding tussen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] , Verenigde Staten, (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 oktober 2014, kenmerk BZ01733437 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2016. Daar is namens appellante mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
    <para>A.T.M. Vroom-van Berckel.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante, geboren in 1938 in het toenmalige Nederlands-Indië, heeft in november 2004 een zogenoemde samenloop-aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv dan wel de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, naar gelang het gunstigst is. In dat verband heeft zij gesteld dat zij in Malang geïnterneerd is geweest. Verweerder heeft, voor zover hier van belang, de Wuv-aanvraag bij besluit van 2 augustus 2005 afgewezen op de grond dat niet kan worden vastgesteld dat appellante vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 december 2005 ongegrond verklaard. Op basis van de informatie van onder meer het Nederlandse Rode Kruis (NRK) is geoordeeld dat de door appellante gestelde internering in kamp Bergenbuurt te Malang tijdens de Japanse bezetting niet kan worden bevestigd. Daarbij is overwogen dat wel is komen vast te staan dat appellante in 1946 in Malang geïnterneerd is geweest, maar dat een internering in de periode na 15 augustus 1945 buiten de werkingssfeer van de Wuv valt. Tegen het besluit van 19 december 2005 is geen beroep ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In juli 2013 is namens appellante verzocht de eerdere afwijzende besluiten te herzien. Dat verzoek is door verweerder afgewezen bij besluit van 6 februari 2014 en na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat - kort gezegd - appellante geen nieuwe feiten of gegevens naar voren heeft gebracht die tot een andere beslissing zouden moeten leiden.</para>
      <para />
      <para>2. In beroep is, evenals in bezwaar, aangevoerd dat op grond van de overgelegde gegevens ten onrechte is besloten dat appellante geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan.</para>
      <para />
      <para>3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellante feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Zulke feiten of omstandigheden zijn niet naar voren gekomen. Uit de overgelegde </para>
        <para>SAIP-gegevens van de vader van appellante komt naar voren dat hij (in 1949) bij zijn aanvraag om toekenning van een zogenoemde rehabilitatie-uitkering heeft verklaard dat appellante (en haar moeder en broer) tijdens de Japanse bezetting heeft verbleven in het Malang-kamp te Malang. Ook de Raad ziet in deze mededeling onvoldoende grond gelegen om aan te nemen dat appellante tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd is geweest. In Malang waren indertijd meerdere kampen, van verschillende aard. Een concreet kamp is door de vader van appellante niet genoemd. Aanvullende gegevens die de vermelding van de vader van appellante kunnen ondersteunen en aanvullen zijn niet voorhanden. Het NRK beschikt niet over gegevens van appellante van vóór de internering in Malang tijdens de Bersiap-periode en aan de in bezwaar overgelegde verklaring van de broer van appellante, [naam broer] , kan niet die waarde worden toegekend die appellante daaraan gehecht wil zien. Zo stelt de broer van appellante dat de familie [familie] gelijktijdig met hen in De Wijk </para>
        <para>(= Bergenbuurt) in Malang heeft verbleven. Uit de gegevens van de familie [familie] blijkt echter slechts dat die familie ten tijde van de Bersiap-periode in Malang verbleef. Daarmee is alleen bevestigd dat appellante tijdens de Bersiap-periode in De Wijk in Malang verbleef zoals dat ook in 2005 werd vermeld door het NRK. Van een bevestiging van een internering tijdens de Japanse bezetting is ook nu geen sprake.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Gezien het voorgaande kan het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan de terughoudende toets van de Raad doorstaan. Het ingestelde beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en M.T. Boerlage en </para>
      <para>J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) A. Beuker-Tilstra</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) C. Moustaïne</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HD</title>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>