<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:28</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-01-14T13:28:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-01-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-01-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/6228 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:28">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:28</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-01-10T15:15:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:28 Centrale Raad van Beroep , 08-01-2016 / 14/6228 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:28:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het verlies aan verdienvermogen van appellant is vastgesteld op ruim 52%. Loongerelateerde WGA-uitkering. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit met juistheid onderschreven. De in het dossier beschikbare informatie van onder meer de neurochirurg, waarin de nek- en rugproblematiek is beschreven, geeft geen aanleiding om de door het Uwv vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:28:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/6228 WIA </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 8 januari 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van </para>
    <para>3 oktober 2014, 14/1130 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellant heeft mr. E.J. Bek hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2015. Appellant is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
    <para>mr. P.C.P. Veldman.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Appellant, laatstelijk werkzaam geweest bij een bouwbedrijf, heeft zich vanuit een situatie dat hij een uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet, met ingang van </para>
        <para>31 oktober 2011 ziek gemeld met rug- en beenklachten. Voorts zijn nek- en schouderklachten, linkerarmklachten en psychische klachten ontstaan. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de verzekeringsarts beperkingen voor appellant vastgesteld en deze neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 september 2013. Aansluitend heeft de arbeidsdeskundige het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en functies geselecteerd tot het vervullen waarvan appellant in staat is geacht. Het verlies aan verdienvermogen is vastgesteld op ruim 52%. In lijn daarmee heeft het Uwv bij besluit van </para>
        <para>14 oktober 2013 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 28 oktober 2013 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 2013 is namens appellant aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn beperkingen. In dat verband is aangevoerd dat de behandelend neurochirurg heeft aangegeven dat appellant in 1999 aan een hernia is geopereerd, hetgeen een experimentele operatie is geweest. Dit zou volgens de neurochirurg de nog steeds bestaande lage rugklachten kunnen verklaren. Verder is sprake van psychische klachten, heeft appellant klachten als gevolg van de nekhernia, waaraan appellant in juni 2012 werd geopereerd, en slijtage aan de nek. Tevens zou een urenbeperking aan de orde zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische beoordeling van de verzekeringsarts bevestigd, waarna het bezwaar bij besluit van 2 april 2014 (bestreden besluit) ongegrond is verklaard. </para>
      <para />
      <para>2. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant ter onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat, een rapport van psychotherapeut M.B. Voogd van 16 april 2014 in geding gebracht. Het Uwv heeft het ingenomen standpunt gehandhaafd met verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 juni 2014. </para>
      <para />
      <para>3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. De verzekeringsarts heeft naast eigen onderzoek ook de informatie van de behandelend sector meegewogen en bij het vaststellen van de belastbaarheid rekening gehouden met de lichamelijke en psychische klachten. Daarbij heeft de rechtbank tevens van belang geacht dat neurochirurg M.J. Driesse in een ongedateerd schrijven kenbaar heeft gemaakt dat de nek van appellant weer volledig en normaal belast mag worden vanaf zes weken na de ingreep. Daaruit vloeit volgens de rechtbank voort dat de in juni 2012 ondergane operatie de vastgestelde belastbaarheid van appellant per 28 oktober 2013 niet raakt. Ten aanzien van de psychische problematiek heeft de rechtbank overwogen dat uit het rapport van de psychotherapeut van 16 april 2014 blijkt dat de daarin opgenomen informatie ziet op de periode voorafgaand aan de laatste behandeling van appellant bij die psychotherapeut. Die behandeling was in 2012 beëindigd. De in het rapport van 16 april 2014 beschreven situatie ziet dan ook niet op de datum in geding. Ook ten aanzien van de gestelde urenbeperking wordt het standpunt van het Uwv onderschreven dat het ervaren van slaapproblemen en het weinig assertief zijn (geen ‘nee’ kunnen zeggen) niet nopen tot het aannemen van een urenbeperking. Verder heeft de rechtbank ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan de voorgehouden functies geschikt zijn. </para>
      <para />
      <para>4. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant staande gehouden hetgeen in eerdere instantie is aangevoerd. Voorts heeft hij gesteld dat er allerlei medische onderzoeken lopen en dat nadere (medische) informatie aan de Raad zal worden gezonden, zodra deze bekend is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit met juistheid onderschreven. De in het dossier beschikbare informatie van onder meer de neurochirurg, waarin de nek- en rugproblematiek is beschreven, geeft geen aanleiding om de door het Uwv vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank, als weergegeven onder overweging 3, volledig en maakt deze tot de zijne. Appellant heeft in hoger beroep, anders dan aangekondigd, geen nadere medische stukken in geding gebracht. Mede in aanmerking nemend dat geen arbeidskundige gronden zijn aangevoerd, komt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) H. van Leeuwen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.R. van Ravenstein</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ew</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>