<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:2644</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-10T17:58:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-07-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/1668 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SZR-Updates.nl 2016-0739</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:2644">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:2644</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-07-13T14:28:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:2644 Centrale Raad van Beroep , 13-07-2016 / 14/1668 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:2644:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2015:789) heeft het Uwv bij brief een rapport van een verzekeringsarts ingezonden. In dit rapport is uitvoerig gemotiveerd dat toepassing van de in de verzekeringsgeneeskunde geldende Standaard Verminderde Arbeidsduur niet leidt tot de conclusie dat er in casu sprake zou moeten zijn van een urenbeperking. Hiermee is alsnog een gemotiveerde, begrijpelijke, en consistente onderbouwing gegeven van het bestreden besluit.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:2644:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/1668 ZW </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 13 juli 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van <?linebreak?>13 februari 2014, 13/2048 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>De Raad heeft in het geding tussen partijen op 4 maart 2015 tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2015:789).</para>
    <para>Ter uitvoering van die tussenuitspraak heeft het Uwv bij brief van 10 april 2015 een rapport van een verzekeringsarts ingezonden.</para>
    <para>Appellante heeft op dat rapport gereageerd.</para>
    <para>De Raad heeft bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Voor een uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar de hiervoor vermelde tussenuitspraak. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het Uwv is in de gelegenheid gesteld het in overweging 4.4 van de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in de motivering van het bestreden besluit te herstellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Het Uwv meent het gebrek te hebben hersteld met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep J.L. Waasdorp van 7 april 2015. Appellant deelt deze visie niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In het rapport van 7 april 2015 is gesteld dat door de bedrijfsarts niet gemotiveerd is waarom appellante haar functie bij [X.] niet volledig (voor 20 uur per week) zou kunnen vervullen. Een medisch redengevend rapport daarvoor ontbreekt. Verwezen wordt voorts naar het rapport van verzekeringsarts R. Konsten van 27 februari 2013, die appellante op die dag, derhalve kort voor de datum in geding, heeft gezien, en gemotiveerd heeft aangegeven dat er geen reden is voor een urenbeperking, ook niet voor de totale maatgevende arbeid van 31 uur per week.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Over de stelling van appellante dat (de verzekeringsarts van) het Uwv niet bevoegd zou zijn een oordeel te geven over de arbeids(on)geschiktheid van appellante voor haar functie bij [X.], wordt overwogen dat het Uwv dient te beslissen op de aanvraag van appellante om uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), voortvloeiende uit het recht van appellante op uitkering ingevolge de werkloosheidswet (WW). Bij die door het Uwv te nemen beslissing is, zoals is overwogen in de tussenuitspraak, maatstaf voor het begrip zijn arbeid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de ZW, de combinatie van de functie bij [X.] voor 20 uur per week met de functie bij de groothandel in tabakswaren voor 11 uur per week. Bij de tussenuitspraak is het Uwv ook nadrukkelijk opgedragen dat toetsingskader (alsnog) te hanteren. Er is geen wettelijke basis voor de stelling dat het Uwv in het kader van de uitvoering van artikel 19 van de ZW verplicht zijn zou het oordeel van de bedrijfsarts van [X.] te volgen, die zijn rol vervult in het kader van de uitvoering van artikel 629 van het Burgerlijk Wetboek. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In het rapport van 17 april 2015 is verder uitvoerig gemotiveerd dat toepassing van de in de verzekeringsgeneeskunde geldende Standaard Verminderde Arbeidsduur niet leidt tot de conclusie dat er in casu sprake zou moeten zijn van een urenbeperking. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Met het rapport van 17 april 2015 is alsnog een gemotiveerde, begrijpelijke, en consistente onderbouwing gegeven van het bestreden besluit. Daarbij is de motivering toegespitst op de in geding zijnde datum, 4 maart 2013, met toetsing van alle actuele medische gegevens. Er is niet uitgegaan van verouderde gegevens. Dat in het rapport van <?linebreak?>7 april 2015 de medische situatie van appellante (ook) in een historisch perspectief is geplaatst doet daar niet aan af.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit, met de motivering in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 april 2015, nu ook berust op een toereikende medische grondslag. Gelet hierop dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 2.232,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, € 2.594,79 voor de werkzaamheden van rapporten van Triage Medisch Adviesbureau, en € 11,16 voor reiskosten. Van proceskosten in de bezwaarfase is niet gebleken.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.837,95.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en W.E. Doolaard als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.J.T. van den Corput</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) P. Boer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>IvR</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>