<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:2190</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-12-03T00:00:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-06-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-06-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/7146 ANW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2016:2728" psi:type="http://psi.rechtspraak/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2728</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:2190">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:2190</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-06-15T10:56:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:2190 Centrale Raad van Beroep , 10-06-2016 / 14/7146 ANW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:2190:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Terecht nabestaanden- en halfwezenuitkering geweigerd omdat echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de ANW en ook niet ingevolge de Marokkaanse wettelijke regelingen. Evenmin is gebleken van deelname aan de vrijwillige verzekering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:2190:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/7146 ANW </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 10 juni 2016 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 november 2014, 14/3214 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] Marokko (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Appellante heeft hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De Svb heeft een verweerschrift ingediend. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Appellante heeft nog een nader stuk ingezonden.</para>
    <para>
      <?linebreak?>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2016. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante woont in Marokko. Haar echtgenoot, geboren in 1935, heeft in Nederland gewoond en was ten tijde van zijn overlijden op 6 juli 2013 woonachtig in Marokko. De echtgenoot van appellante ontving vanaf 2000 tot zijn overlijden een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Appellante heeft een nabestaanden- en een halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij beslissing op bezwaar van 11 april 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 11 februari 2014 gehandhaafd, waarbij is geweigerd een nabestaanden- en halfwezenuitkering aan appellante toe te kennen omdat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de ANW en ook niet ingevolge de Marokkaanse wettelijke regelingen. Evenmin is gebleken van deelname aan de vrijwillige verzekering.</para>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden niet voldeed aan de voorwaarden om verzekerd te worden geacht ingevolge de ANW.</para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij recht heeft op een nabestaandenuitkering, omdat zij meer dan 75% arbeidsongeschikt is en zij de zorg heeft over twee minderjarige kinderen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het oordeel van de rechtbank en de daarbij gebezigde overwegingen worden geheel onderschreven. Terecht wijst de rechtbank erop dat, nu de echtgenoot van appellante op de dag van zijn overlijden (6 juli 2013) niet woonachtig of werkzaam was in Nederland hij ten tijde van zijn overlijden niet op grond van artikel 13, eerste lid van de ANW verzekerd was voor die wet. De Svb heeft in het bestreden besluit voorts uitgebreid gemotiveerd waarom de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden ook niet aan andere voorwaarden voldeed op grond waarvan hij verzekerd moest worden geacht voor de ANW. Met de rechtbank onderschrijft de Raad die door de Svb gegeven motivering. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen wijst de rechtbank er terecht op dat – nu appellante geen recht heeft op een uitkering ingevolge de ANW omdat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet voor die wet verzekerd was – het feit dat appellante arbeidsongeschikt is en de zorg heeft voor twee minderjarige kinderen niet tot een ander oordeel kan leiden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) M.M. van der Kade</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) J.C. Borman</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH </para>
      <para>’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>RB</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>DÉCISION</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) confirme les décisions attaquées. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Par conséquent, décidée par M.M. van der Kade en présence de J.C. Borman en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 10 juin 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas: </para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>