<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:210</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-01-25T12:56:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-01-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/6795 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:210">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:210</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-01-20T10:31:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-01-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:210 Centrale Raad van Beroep , 19-01-2016 / 14/6795 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:210:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Langer dan 4 weken in het buitenland verbleven. Geen sprake van zeer dringende redenen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:210:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/6795 WWB</para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 19 januari 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van </para>
    <para>3 november 2014, 14/2023 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [woonplaats] (appellant) </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellant heeft mr. E. Kafa, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 15/2304 WWB plaatsgevonden op </para>
    <para>24 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door I. Celic als tolk en mr. Kafa. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lagrand. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Appellant heeft vanaf 30 juli 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft van 14 september 2013 tot en met 8 oktober 2013 (25 dagen) met behoud van uitkering verblijf gehouden in Turkije in verband met de verzorging van zijn zieke moeder. Appellant heeft op 23 oktober 2013 toestemming verzocht om van 4 november 2013 tot en met 1 december 2013 met behoud van uitkering in Turkije te mogen verblijven in verband met zijn voorgenomen huwelijk op </para>
        <para>5 november 2013 en het trouwfeest. Appellant heeft van het college toestemming gekregen om drie dagen met behoud van uitkering in Turkije te verblijven, namelijk van 4 november 2013 tot en met 6 november 2013. Appellant is vervolgens naar Turkije vertrokken en op </para>
        <para>3 december 2013 weer in Nederland teruggekeerd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij besluit van 2 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 februari 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 7 november 2013 ingetrokken. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant, gelet op artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB, geen recht (meer) heeft op bijstand omdat hij in het kalenderjaar 2013 langer dan vier weken verblijf heeft gehouden buiten Nederland.</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. </para>
      <para />
      <para>3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat sprake was van zeer dringende redenen om in Turkije te verblijven, zowel in verband met de gezondheidssituatie van zijn moeder als in verband met zijn bruiloft en het daaraan verbonden huwelijksfeest. Voorts heeft appellant ter zitting nog een beroep gedaan op het internationaal vastgelegde recht om te huwen en een gezin te stichten. Daarbij heeft appellant verwezen naar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). </para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het eerste lid van artikel 16 van de WWB biedt de mogelijkheid om aan een persoon die geen recht op bijstand heeft de gevraagde bijstand niettemin te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen noodzaken. In een dergelijk geval dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Er is sprake van een acute noodsituatie indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Ernstig letsel kan zowel psychisch als lichamelijk letsel omvatten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Met betrekking tot het verblijf van appellant in Turkije wegens de gezondheidstoestand van zijn moeder kan toetsing aan artikel 16, eerste lid, van de WWB niet aan de orde komen, omdat appellant in de betreffende periode, van 14 september tot en met 8 oktober 2013, wel recht op bijstand had en ook bijstand ingevolge de WWB heeft ontvangen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Met betrekking tot het verblijf van appellant in Turkije wegens het huwelijk van appellant en het daaraan verbonden huwelijksfeest, heeft appellant het volgende aangevoerd. Eind oktober 2013 hoorde appellant dat hij zou gaan trouwen met een vrouw die zijn zuster in Turkije voor hem had uitgezocht. Het huwelijk in Turkije is voltrokken op 5 november 2013 en het huwelijksfeest vond plaats op 25 november 2013. In de tussenliggende periode diende appellant daarvoor zaken te regelen. Dit is de gebruikelijke gang van zaken in zijn cultuur. Appellant kon zich daar niet aan onttrekken en diende dus in Turkije te blijven. Het was daarom voor hem onmogelijk om op 7 november 2013 weer terug te zijn in Nederland. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De door appellant aangevoerde omstandigheden vormen geen levensbedreigende situatie of een situatie welke voor appellant blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kon hebben. Van een acute noodsituatie als onder 4.1 bedoeld was dan ook geen sprake. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Ook het beroep dat appellant kennelijk doet op de in artikel 12 van het EVRM vervatte bepaling dat mannen en vrouwen van huwbare leeftijd het recht hebben te huwen en een gezin te stichten volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen, slaagt niet. Appellant is in de gelegenheid gesteld om in Turkije te huwen. De omstandigheid dat het college de bijstand heeft ingetrokken in verband met het verblijf van appellant in Turkije na de huwelijksvoltrekking leidt niet tot het oordeel dat het college daardoor inbreuk heeft gemaakt op het recht van appellant om te huwen en een gezin te stichten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>19 januari 2016.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) H.C.P. Venema</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) R.G. van den Berg</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>HD</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>