<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:208</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-01-25T15:11:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-01-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/2304 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROT:2015:1149" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:1149, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:208">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:208</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-01-20T10:51:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-01-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:208 Centrale Raad van Beroep , 18-01-2016 / 15/2304 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:208:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag. Onvoldoende informatie woon- en leefsituatie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:208:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>15/2304 WWB</para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 19 januari 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van </para>
    <para>23 februari 2015, 14/4517 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [woonplaats] (appellant) </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellant heeft mr. E. Kafa, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 14/6795 WWB plaatsgevonden op </para>
    <para>24 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door I. Celic als tolk en mr. Kafa. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lagrand. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Appellant heeft op 8 december 2013 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van die aanvraag heeft het college bij brieven van 16 december 2013 en 7 januari 2014 verzocht de in de bijlagen bij die brieven genoemde gegevens over te leggen, uiterlijk op 13 januari 2014. Aan die verzoeken heeft appellant niet volledig voldaan. Voorts heeft appellant bij zijn aanvraag opgegeven dat hij alleenwonend was op het adres [adres] (uitkeringsadres). Omdat volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans de basisregistratie personen (BRP), nog een andere persoon, [naam 1] , op dat adres stond ingeschreven, heeft op </para>
        <para>20 januari 2014 een huisbezoek aan het uitkeringsadres plaatsgevonden. Appellant is daar toen niet aangetroffen. Wel is een andere persoon aangetroffen die volgens zijn verklaring daar logeerde. Op 21 januari 2014 is in de brievenbus van het uitkeringsadres een brief gedeponeerd waarin appellant is uitgenodigd voor een gesprek op 22 januari 2014 om </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.00</nr>
      <para>uur, met medeneming van gegevens. Appellant heeft zonder bericht van verhindering niet aan die uitnodiging voldaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij besluit van 22 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 mei 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. De besluitvorming berust op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden nu appellant geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie en zijn financiële situatie. Daarom heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, zodat hem ten onrechte bijstand is verleend. </para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. </para>
      <para />
      <para>3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft het volgende aangevoerd. Appellant heeft op 8 december 2013 € 500,- geleend van [naam 2] om vanaf de intrekking van de bijstand, per 7 november 2013, in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Ter ondersteuning hiervan heeft appellant een leenovereenkomst overgelegd en een bankafschrift waarop de betreffende overboeking is vermeld. Voor twee reizen naar Turkije in augustus 2013 en oktober 2013 heeft appellant ten dele gebruik gemaakt van gereserveerd geld uit zijn bijstandsuitkering. Voor het overige heeft appellant, zoals uit de bankafschriften blijkt, op 17 augustus 2013 en op 6 oktober 2013 tweemaal een geldbedrag van € 500,- geleend van [naam 2] . Voorts heeft appellant zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres en heeft [naam 1] een eigen kamer in die woning. Appellant heeft bij zijn aanvraag de begrippen alleenstaand en alleenwonend door elkaar gehaald. Appellant verbleef echter sinds </para>
      <para>13 januari 2014 tijdelijk bij zijn ex-echtgenote in Tilburg, omdat er problemen waren met de kinderen. Dat heeft hij op 16 januari 2014 telefonisch doorgegeven aan de Dienst Werk en Inkomen (DWI). DWI had daarom kunnen inschatten dat dit tijdelijk verblijf van appellant in Tilburg nog even zou voortduren. Niettemin is op 21 januari 2014 een uitnodigingsbrief in de brievenbus van het uitkeringsadres gedeponeerd voor een gesprek op 22 januari 2014. Appellant heeft daarvan niet tijdig kennis kunnen nemen, zodat hem niet verweten kan worden dat hij afwezig was op de afspraak. </para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het is daarom aan appellant om als aanvrager van bijstand aannemelijk te maken dat hij in de hier te beoordelen periode, van 8 december 2013 tot en met 22 januari 2014, in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de bijstand is allereerst van wezenlijk belang dat voldoende duidelijkheid bestaat over de woon- en leefsituatie. Appellant is in dit opzicht in gebreke gebleven. Bij zijn aanvraag heeft appellant opgegeven dat hij niet gehuwd is en niet gehuwd was geweest. Appellant was echter wel gehuwd en is ook gehuwd geweest. Zijn echtgenote woont in Turkije en zijn ex-echtgenote in Tilburg. Voorts heeft appellant op 16 januari 2014 telefonisch verklaard dat hij bij zijn ex-echtgenote in Tilburg verbleef wegens problemen met zijn kinderen. Appellant heeft ter zitting verklaard dat hij geen kinderen heeft en dat zijn ex-echtgenote alleen een kind uit een vorig huwelijk heeft. Appellant heeft verklaard dat ook [naam 1] op een kamer op het uitkeringsadres woonde. De op 20 januari 2014 op het uitkeringsadres aangetroffen logé kende [naam 1] echter niet. Op </para>
        <para>16 januari 2014 is appellant er telefonisch van in kennis gesteld dat er op een korte termijn een huisbezoek aan het uitkeringsadres zou plaatsvinden. Op de dag van het geplande huisbezoek, 20 januari 2014, stonden de betreffende ambtenaren voor de deur van het uitkeringsadres en hebben zij appellant gebeld. Appellant heeft toen de telefoon niet opgenomen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Appellant is in de gelegenheid gesteld duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en leefsituatie en zijn financiële situatie door middel van een oproep voor een gesprek op </para>
        <para>22 januari 2014 met medeneming van gegevens. Appellant is echter niet verschenen. Uit het verslag van het telefoongesprek op 16 januari 2014, kan niet worden afgeleid dat de DWI er rekening mee had moeten houden dat appellant op 21 januari 2014, toen de uitnodigingsbrief in de brievenbus van het uitkeringsadres werd gedeponeerd, nog steeds in Tilburg zou verblijven. Appellant moet verweten worden dat hij zijn verblijf in Tilburg en de duur van dit verblijf niet tijdig aan het college heeft doorgegeven. Dat appellant als gevolg hiervan niet heeft voldaan aan de oproep voor een gesprek op 22 januari 2014 komt dan ook voor zijn rekening. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Uit 4.3 en 4.4 volgt dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie en aldus de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Als gevolg hiervan heeft het college niet kunnen vaststellen of appellant in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Omdat de woon- en leefsituatie van essentieel belang is voor de beoordeling van het recht op bijstand, kan en zal de financiële situatie van appellant, wat daarvan ook zij, buiten beschouwing worden gelaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2016. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) H.C.P. Venema</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) R.G. van den Berg</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>HD</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>