<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:1762</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-05-18T12:22:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-05-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-05-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/1756 WSF</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:1762">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:1762</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-05-18T10:25:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-05-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:1762 Centrale Raad van Beroep , 11-05-2016 / 15/1756 WSF</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:1762:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek tot kwijtschelding van studieschuld. De Wsf 2000 voorziet in tweetal situaties in kwijtschelding. Strikt beleid hardheidsclausule kent vier categorieën, die de Raad niet onredelijk heeft geoordeeld. De rechtbank heeft  met juistheid overwogen dat de conclusie terecht is dat de situatie van  appellante niet valt onder één van de in het beleid omschreven situaties en ook niet onder de vierde categorie uit het beleid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:1762:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>15/1756 WSF</para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 11 mei 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van </para>
    <para>23 januari 2015, 14/5084 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Appellante heeft hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. Appellante is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
    <para>mr. drs. E.H.A. van den Berg.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <para>1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 4 juli 2014 (bestreden besluit) waarbij de minister, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 29 januari 2014 heeft gehandhaafd. Bij dat besluit heeft de minister het verzoek van appellante tot kwijtschelding van haar studieschuld afgewezen.</para>
    <para />
    <para>2. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een zodanig ernstige en bijzondere situatie dat de minister het verzoek om kwijtschelding had moeten toewijzen. Doordat appellante haar diploma niet heeft behaald, zal zij niet voldoende inkomen kunnen verwerven om de schuld in zijn geheel af te lossen. Door haar psychische klachten was appellante op het moment van aanvragen van de studiefinanciering voorts niet in staat de financiële gevolgen van die handeling te overzien. De minister had appellante daarom moeten wijzen op de gevolgen van het aanvragen van de studielening. Appellante wist niet waar ze aan begon en de schuld drukt nu zwaar op haar.</para>
    <para />
    <para>3. De Raad oordeelt als volgt.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) voorziet slechts in kwijtschelding bij het einde van de aflosfase en bij overlijden van de debiteur.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De minister voert met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule een beleid waarin staat dat ook kwijtschelding wordt verleend indien: </para>
      <para>a. de debiteur een terminale ziekte heeft waardoor hij naar verwachting binnen een jaar komt te overlijden;</para>
      <para>b. de debiteur gedurende langere tijd in coma ligt; </para>
      <para>c. de debiteur een psychiatrische patiënt is die is opgenomen in een inrichting en de situatie uitzichtloos is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Verder is het de Raad uit de behandeling van een eerdere zaak, die heeft geleid tot de uitspraak van 20 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3068, bekend dat de minister nog een vierde categorie in zijn kwijtscheldingsbeleid hanteert, te weten de debiteur die ernstig (geestelijk) gehandicapt is. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraken van </para>
        <para>10 december 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR8524 en 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1421) is het door de minister gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet onredelijk. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Uit de door appellante gedurende de procedure overgelegde (medische) gegevens heeft de minister, in navolging van de adviezen van zijn medisch adviseur F. Knol, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, terecht de conclusie getrokken dat de situatie waarin appellante zich bevindt niet valt onder één van de in het beleid omschreven situaties en evenmin valt onder de in 3.3 omschreven vierde categorie in het beleid. In zo’n geval rest de vraag of de omstandigheden waarin appellante verkeert zodanig bijzonder zijn dat afwijking van het beleid is aangewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft terecht overwogen dat van zo’n situatie geen sprake is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister van het beleid had moeten afwijken is geen sprake. Het is een feit van algemene bekendheid dat leningen en ook studieleningen met rente moeten worden terugbetaald. Ook van andere niet in het beleid verdisconteerde bijzondere omstandigheden is niet gebleken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Gezien hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J. Brand</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.W.L. van der Loo</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>MO</title>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>