<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:1289</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-10T18:08:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-04-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14-1536 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SZR-Updates.nl 2016-0365</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:1289">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:1289</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-04-11T09:04:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:1289 Centrale Raad van Beroep , 08-04-2016 / 14-1536 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:1289:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:1289:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/1536 WIA </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 8 april 2016 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van </para>
    <para>14 maart 2014, 13/872 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellante heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van 7 mei 2014 ingediend.</para>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2015. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich, met kennisgeving vooraf, niet laten vertegenwoordigen.</para>
    <para>De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het Uwv de gelegenheid te geven te reageren op de ter zitting overgelegde stukken. Op 2 december 2015 heeft het Uwv het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 november 2015 ingebracht.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting is hervat op 26 februari 2016. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich, opnieuw met kennisgeving vooraf, niet laten vertegenwoordigen. </para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als inpakster. Zij heeft zich met ingang van </para>
        <para>22 december 2009 met zwangerschapsgerelateerde klachten ziek gemeld. Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de verzekeringsarts appellante op 31 mei 2012 onderzocht en de beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 juni 2012. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige geoordeeld dat appellante ongeschikt is voor het eigen werk, maar geschikt is voor passende functies op grond waarvan het verlies aan verdienvermogen is vastgesteld op 12,08%. Bij besluit van 3 juli 2012 heeft het Uwv beslist dat met ingang van 4 augustus 2012 voor appellante geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2012 heeft appellante aangevoerd dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, omdat onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische problemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de hoorzitting bijgewoond en appellante onderzocht. Ondanks de ingebrachte informatie van de behandelend fysiotherapeut, GGZ en huisarts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische argumenten die aanleiding zouden geven om verdergaande beperkingen in de FML aan te nemen dan de primaire verzekeringsarts reeds heeft aangenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 25 maart 2013 de geselecteerde functies passend geacht en vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd minder dan 35% is. Bij beslissing op bezwaar van 25 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 juli 2012 ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat. Uit het door appellante in beroep overgelegde rapport van psychiater Visser van 30 november 2013 volgt volgens de rechtbank niet dat appellante op de datum in geding meer beperkingen had dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. Voor de stelling van appellante dat er met de toegenomen klachten na datum in geding rekening moet worden gehouden nu deze vlak na het beslismoment zijn opgekomen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien. Nog afgezien van het feit dat de rechtbank met een toename van klachten ná datum in geding geen rekening kan houden bij de beoordeling, volgt uit het rapport van psychiater Visser - anders dan appellante heeft betoogd - dat er geen aanwijzingen zijn om beperkingen aan te nemen binnen de items vasthouden van aandacht, verdelen van aandacht, herinneren, zelfstandig handelen, doelmatig handelen en handelingstempo. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 maart 2013 voldoende is gemotiveerd dat de voor de schatting geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante.</para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep is herhaald dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. Appellante heeft psychische problemen als gevolg van mishandelingen en bedreiging door haar </para>
      <para>ex-echtgenoot. Zij voelt zich hierdoor gespannen en heeft hoofdpijnklachten. Voorts heeft zij onder meer  rug-, schouder-, knie- en buikklachten, waardoor zij zodanig beperkt is dat zij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen. </para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft met juistheid de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De verzekeringsartsen hebben zorgvuldig onderzoek verricht en de informatie van de behandelend sector kenbaar in de beoordeling meegewogen. De in beroep overlegde medische informatie geeft, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen aanleiding tot twijfel aan de vastgestelde beperkingen van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het in hoger beroep ingezonden rapport van 7 mei 2014 vermeld dat de traumatische voorgeschiedenis van appellante bekend was en dat hier ook in de eerdere rapporten uitgebreid aandacht aan is besteed. De bevindingen van psychiater Visser in het rapport van 30 november 2013 hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gegeven extra beperkingen op te nemen in de vastgestelde FML. Dit geldt ook voor de medische stukken die tijdens de zitting op 30 oktober 2015 zijn overgelegd. In het rapport van 25 november 2015 heeft voorgenoemde verzekeringsarts geconcludeerd dat het gegevens betreft over de situatie ver na de datum in geding, waarbij ook geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen die verdergaande beperkingen rechtvaardigen. Er is geen aanleiding tot twijfel aan deze conclusie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Wat betreft de medische geschiktheid van de geselecteerde functies wordt overwogen dat er geen nadere gronden zijn aangevoerd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat appellante niet tot het vervullen van die functies in staat kan worden geacht. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>- wijst het verzoek tot vergoeding van schade af. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	(getekend) E. Dijt</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	(getekend) L.H.J. van Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>NK</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>