<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:1288</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-10T18:09:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-04-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr"> 15-464 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SZR-Updates.nl 2016-0342</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:1288">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:1288</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-04-11T09:02:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:1288 Centrale Raad van Beroep , 08-04-2016 /  15-464 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:1288:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitbetaling WAO-uitkering tot een bedrag van € 854,- per maand wegens beslag door belastingdienst. Het ligt niet op de weg van het Uwv om de geldigheid van het beslag te beoordelen. Het Uwv is bij de vaststelling van het maandelijks uit te betalen bedrag terecht uitgegaan van de door de belastingdienst vastgestelde beslagvrije voet. Geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het Uwv bij het nemen van de betalingsbeslissing niet binnen het kader van het beslag is gebleven.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:1288:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>15/464 WAO </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 8 april 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van </para>
    <para>24 december 2014, 14/973 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2016. Appellant is verschenen. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen. </para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De ontvanger van de belastingdienst (de belastingdienst) heeft het Uwv in april 2014 meegedeeld dat appellant een openstaande schuld heeft van € 2.698,61 in verband met een terugvordering van huurtoeslag over het jaar 2011 en een openstaande schuld heeft van </para>
        <para>€ 227,-, in verband met een aanslag motorrijtuigenbelasting over 2013, te vermeerderen met openstaande kosten van € 57,-. Daarbij is het Uwv gevorderd maandelijks een bedrag op de uitkering van appellant in te houden en aan de belastingdienst te betalen totdat de schuld zal zijn voldaan. Meegedeeld is dat de beslagvrije voet van appellant € 854,- per maand bedraagt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij besluit van 10 april 2014 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 1 april 2014 wordt uitbetaald tot een bedrag van € 845,- (lees: € 854,-) per maand. Het resterende bedrag van € 762,46 per maand wordt uitbetaald aan de belastingdienst. Voorts is vastgesteld dat op verzoek van Zorginstituut Nederland een bedrag van € 143,98 per maand op de uitkering wordt ingehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 april 2014 is bij besluit van 23 april 2014 ongegrond verklaard. </para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het besluit van 23 april 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de toetsing van het bestreden besluit beperkt is tot de vraag of het Uwv bij het nemen ervan binnen het kader van het beslag is gebleven. Voorts is geoordeeld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat het Uwv niet binnen het kader van het beslag is gebleven. </para>
      <para />
      <para>3. Appellant stelt dat het oordeel van de rechtbank haaks staat op de waarheid. Bij de zitting was het dossier van [R] niet aanwezig. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte de bewijslast volledig bij appellant gelegd. Er blijft voor appellant niet anders over dan zijn huis uit te gaan. Appellant heeft het huis verkregen met behulp van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Daarvoor bestaan ernstige medische redenen. Appellant vindt dat het Uwv een misdrijf pleegt, omdat huisuitzetting dreigt als gevolg van het beslag. Appellant heeft door het beslag zijn huur niet kunnen betalen. In het kader van de Wmo heeft appellant verzocht om een andere woning voor hem te zoeken. De rechtbank heeft volgens appellant de misdrijven van het Uwv afgedekt. </para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat de uitkering van appellant met ingang van 1 april 2014 aan appellant wordt uitbetaald tot een bedrag van </para>
        <para>€ 854,- per maand. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>In artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Invorderingswet 1990 is bepaald dat een derde die uitkeringen op grond van socialezekerheids-wetten, uitgezonderd kinderbijslag onder welke benaming ook, verschuldigd is aan een belastingschuldige, op vordering van de ontvanger verplicht is de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen, voor zover één en ander vatbaar is voor beslag. Voor zover één en ander niet vatbaar is voor beslag is de derde op vordering van de ontvanger verplicht ten hoogste een tiende gedeelte daarvan aan te wenden voor betaling van de belastingaanslagen van de belastingschuldige.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat het niet op de weg van het Uwv ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. Het oordeel daarover is voorbehouden aan de burgerlijke rechter, zodat de bestuursrechter daarover niet dient te oordelen. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als in dit geding aan de orde, moet het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard. De bestuursrechter dient zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Raad. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1632. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Appellant heeft betoogd dat hij het bedrag in verband waarmee de belastingdienst het beslag heeft gelegd niet verschuldigd is. Gelet op de overweging onder 4.3 kan deze stelling in deze procedure niet in de beoordeling worden betrokken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Voor zover appellant heeft bedoeld te stellen dat het Uwv niet binnen het kader van het beslag is gebleven, moet deze stelling worden verworpen. Het Uwv is bij de vaststelling van het maandelijks met ingang van 1 april 2014 uit te betalen bedrag terecht uitgegaan van de door de belastingdienst vastgestelde beslagvrije voet. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het Uwv bij het nemen van de betalingsbeslissing niet binnen het kader van het beslag is gebleven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door G. van Zeben-de Vries, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(Getekend) G. van Zeben-de Vries</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(Getekend) N. Veenstra</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <bridgehead>MO</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>