<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2016:1231</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T19:41:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-04-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-04-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/6463 WMO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ABkort 2016/153</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2016/341 met annotatie van R. Stijnen</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2016/112</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2016/188</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:1231">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:1231</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-04-07T10:11:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-04-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2016:1231 Centrale Raad van Beroep , 06-04-2016 / 14/6463 WMO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2016:1231:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het beroep van appellante is door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek van appellante om op de GGD-lijst geplaatst te worden is niet aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Daarom was het college niet gehouden een besluit te nemen en kon het college niet in gebreke gesteld worden. Ingevolge artikel 6:12, tweede en derde lid, van de Awb was er geen mogelijkheid tot het instellen van beroep wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2016:1231:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/6463 WMO </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 6 april 2016</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van </para>
    <para>13 november 2014, 14/3318 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2016. Namens appellante is verschenen mr. Fischer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door <?linebreak?>mr. H.E. Benjamins en mr. S.M.E. Dreyer. </para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante, geboren in 1983 en afkomstig uit Somalië, was ten tijde hier van belang een uitgeprocedeerde vreemdeling die geen rechtmatig verblijf had in Nederland. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Appellante verbleef ten tijde hier van belang in de Vluchthaven in Amsterdam. In de Vluchthaven is op 28 mei 2014 een lijst opgehangen met daarop de namen van de personen die zich door de GGD konden laten onderzoeken, met het doel vast te stellen of deze personen vervolgopvang moest worden geboden op de grond dat zij behoorden tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven (GGD-lijst). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij brief van 29 mei 2014 heeft appellante het college verzocht haar naam op de <?linebreak?>GGD-lijst te plaatsen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Op 30 mei 2014 heeft appellante het college in gebreke gesteld voor het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van 29 mei 2014. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 30 mei 2014 heeft appellante beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoek van 29 mei 2014. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante <?linebreak?>niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van appellante van 29 mei 2014 om op de GGD-lijst geplaatst te worden niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
      <para />
      <para>3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. </para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzoek van appellante van <?linebreak?>29 mei 2014 om op de GGD-lijst geplaatst te worden niet is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het al dan niet plaatsen van iemand op de <?linebreak?>GGD-lijst betreft een feitelijke handeling ter voorbereiding van mogelijke latere besluitvorming. Deze feitelijke handeling is niet gericht op enig rechtsgevolg. Het is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het verzoek van appellante van 29 mei 2014 is dus geen verzoek een besluit te nemen, maar een verzoek om een feitelijke handeling te verrichten. Het verzoek is daarom geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Nu er geen sprake was van een aanvraag, was het college niet gehouden een besluit te nemen en kon het college niet in gebreke gesteld worden. Nu er geen aanvraag en geen ingebrekestelling waren, was er ingevolge artikel 6:12, tweede en derde lid, van de Awb geen mogelijkheid tot het instellen van beroep wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag. Het beroep van appellante is terecht niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) H.J. de Mooij</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M.S.E.S. Umans</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>MO</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>