<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2015:748</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:37:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-03-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-03-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14-1929 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ABkort 2015/136</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:748">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:748</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-03-16T12:51:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2015:748 Centrale Raad van Beroep , 10-03-2015 / 14-1929 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2015:748:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Het college heeft gedeeltelijk ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen voor de duur van zes maanden met ingang van 20 juni 2013. Deze periode is inmiddels verstreken en er zijn geen maatregelen opgelegd wegens het niet nakomen door appellant van de op hem nog rustende arbeidsverplichtingen. Er is geen belang meer bij een beoordeling van het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de nog op hem rustende arbeidsverplichtingen. Appellant heeft verder betoogd dat het college de </para>
        <para>re-integratiegelden, in het bijzonder de ESF-subsidies onjuist heeft besteed en dat zijn belang, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, daarbij rechtstreeks is betrokken. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is hij geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Appellant is immers niet aan te merken als degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken. Dat appellant bij een andere besteding van deze gelden mogelijk in een betere financiële situatie had kunnen verkeren, maakt niet dat hij een rechtstreeks belang heeft.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2015:748:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/1929 WWB </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 10 maart 2015</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van </para>
    <para>24 februari 2014, 13/4244 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Nadien heeft mr. M. Sloot, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D. van der Wal, kantoorgenoot van mr. Sloot. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant ontvangt sinds 2004 bijstand, ten tijde hier van belang ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In het kader van een onderzoek naar de belastbaarheid en bemiddelbaarheid van appellant, heeft A-REA in opdracht van het college een medisch en arbeidsdeskundig belastbaarheidsonderzoek bij appellant verricht. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 november 2012. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij besluit van 24 juni 2013 heeft het college bepaald dat appellant met ingang van </para>
        <para>20 juni 2013 voor de duur van zes maanden wordt vrijgesteld van enkele van de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de WWB. Appellant is geen ontheffing verleend van de verplichting om als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf ingeschreven te staan, mee te werken aan onderzoeken naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en mee te werken aan de door het college aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij besluit van 2 september 2013 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 24 juni 2013 ongegrond verklaard, voor zover dit zich richt tegen de verplichting om deel te nemen aan de re-integratieactiviteiten. Het college heeft het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat ziet op de besteding van ESF-subsidies.</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <para>3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat het college zich daar niet op mocht baseren. Appellant heeft verder betoogd dat het college de </para>
      <para>re-integratiegelden, in het bijzonder de ESF-subsidies onjuist heeft besteed en dat zijn belang, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, daarbij rechtstreeks is betrokken.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">arbeidsverplichtingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld 1 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7208) is eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Van belang is dat het college gedeeltelijk ontheffing had verleend van de arbeidsverplichtingen voor de duur van zes maanden met ingang van 20 juni 2013, dat deze periode inmiddels is verstreken en dat er geen maatregelen zijn opgelegd wegens het niet nakomen door appellant van de op hem nog rustende arbeidsverplichtingen. Ter zitting heeft appellant erkend dat er geen materieel belang meer is bij een beoordeling van het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de nog op hem rustende arbeidsverplichtingen. Daaruit volgt, dat het hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">re-integratiegelden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Anders dan appellant heeft aangevoerd, is hij geen belanghebbende als bedoeld in 1.2 van de Awb. Het college heeft het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat was gericht tegen de besteding door het college van re-integratiegelden. Appellant is immers niet aan te merken als degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken. Dat appellant bij een andere besteding van deze gelden mogelijk in een betere financiële situatie had kunnen verkeren, maakt niet dat hij een rechtstreeks belang heeft.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor het overige bevestigd dient te worden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Van een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    <para />
    <para>- verklaart het hoger beroep voor zover betrekking hebbend op de arbeidsverplichtingen </para>
    <para>  niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en A.M. Overbeeke en </para>
      <para>G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) J.F. Bandringa</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) S.W. Munneke</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>HD</title>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>