<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2015:5003</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-05-25T09:51:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-11-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/281 WWAJ-T</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:5003">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:5003</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-05-25T09:50:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2015:5003 Centrale Raad van Beroep , 16-11-2015 / 13/281 WWAJ-T</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2015:5003:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak. Afwijzing verzoek terug te komen van weigering Wajong-uitkering. Het rapport van de door de Raad geraadpleegde psychiater leidt tot een andere conclusie over de belastbaarheid van appellant waardoor de FML van 31 augustus 2010 een onjuist beeld geeft van de mogelijkheden van appellant. Aangezien de ernst van het ziektebeeld bij eerdere beoordelingen in 2010 niet voldoende erkend is, waardoor achteraf is gebleken dat de schatting van de arbeidsmogelijkheden van appellant op een onjuiste medische grondslag berust, is er sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek te herstellen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2015:5003:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>13/281 WWAJ-T</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 16 november 2015</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van</para>
      <para>29 november 2012, 12/4123 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. R.A.A. Maat, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken</para>
      <para>ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft een verweerschrift, een nader standpunt en enkele rapporten ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2014. Appellant is verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door mr. Maat en [X.] als begeleidster. Het Uvvv heeft zich laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. Na de behandeling van het geding ter zitting</para>
      <para>is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft</para>
      <para>besloten het onderzoek te heropenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft psychiater dr. RN. Sno benoemd als deskundige voor het instellen van een</para>
      <para>onderzoek. Deze heeft een schriftelijk verslag van zijn onderzoek, gedateerd 6 februari 2015,</para>
      <para>ingebracht, waarop vervolgens door beide partijen is gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Appellant, geboren op 5 september 1990, heeft op 3 maart 2010 een aanvraag om een</para>
        <para>uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet</para>
        <para>Wajong) ingediend in verband met psychische problemen. Na een verzekeringsgeneeskundige</para>
        <para>en arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 16 juni 2010 de aanvraag</para>
        <para>afgewezen omdat appellant met het verrichten van arbeid meer dan 75% van het</para>
        <para>minimumloon kan verdienen. Het tegen het besluit van 16 juni 2010 gemaakte bezwaar is bij</para>
        <para>besluit op bezwaar van 15 oktober 2010 ongegrond verklaard. Dit besluit is in rechte</para>
        <para>onaantastbaar geworden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 18 oktober 2011 heeft appellant opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering</para>
        <para>ingediend. Bij deze aanvraag is een medische verklaring overgelegd van 6 oktober 2011 van</para>
        <para>psychiater H. de Keyzer, waarin is vermeld dat appellant wegens problemen als gevolg van</para>
        <para>onder meer een aandachttekortstoornis met hyperactiviteit en een pervasieve</para>
        <para>ontwikkelingsstoornis, niet anderszins omschreven, ernstig gehandicapt is en in zijn</para>
        <para>functioneren wordt belemmerd. Het Uwv heeft de aanvraag opgevat als een verzoek om terug</para>
        <para>te komen van het besluit van 16 juni 2010 dat is gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van</para>
        <para>15 oktober 2010. Beoordeling door de verzekeringsarts heeft het Uwv tot het standpunt geleid</para>
        <para>dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. Bij besluit van</para>
        <para>8 november 2011 heeft het Uwv besloten om niet terug te komen van het gestelde in het</para>
        <para>besluit van 16 juni 2010. Bij besluit van 19 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het</para>
        <para>bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 november 2011 ongegrond verklaard. Aan dit</para>
        <para>besluit ligt het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juni 2012 ten</para>
        <para>grondslag.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het</para>
        <para>bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het Uwv in zijn opvatting gevolgd</para>
        <para>dat appellant geen nieuwe medische informatie in het geding heeft gebracht. Het Uwv heeft</para>
        <para>voldoende toegelicht waarom de door appellant overgelegde stukken van psychiater De</para>
        <para>Keyzer geen nieuw gebleken feiten en of omstandigheden bevatten ten opzichte van de al</para>
        <para>bekende gegevens, en waarom de hartklachten geen nieuw gebleken en of omstandigheden in</para>
        <para>de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opleveren. De rechtbank</para>
        <para>heeft geen reden gezien aan de juistheid van deze conclusie van de verzekeringsartsen te</para>
        <para>twijfelen en heeft ook in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gezien om anders</para>
        <para>te oordelen. Aan de beschikking indicatie WSW van 28 maart 2012 en de ziekmelding per</para>
        <para>1 januari 2012 heeft de rechtbank niet die betekenis toegekend die appellant daaraan gehecht</para>
        <para>wil zien. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat deze stukken geen betrekking</para>
        <para>hebben op de belastbaarheid van appellant zoals die was op 5 september 2008 en dat zowel</para>
        <para>voor de ziekmelding als de WSW-indicatie andere toetsingscriteria gelden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen aanleiding</para>
        <para>heeft gezien terug te komen van het besluit van 16 juni 2010. Volgens appellant is inmiddels</para>
        <para>duidelijk gebleken dat bij de eerdere beoordeling zijn beperkingen en functionele</para>
        <para>mogelijkheden niet juist zijn vastgesteld. Ter verdere onderbouwing van deze stelling zijn nog</para>
        <para>enkele stukken ingezonden, waaronder een behandelplan van de psycholoog drs. M. Kerbusch</para>
        <para>van 26 april 2013 en een brief van de psychiater J. Scholiers van 15januari 2013 en voorts</para>
        <para>een rapport van 12 september 2013 van een psychodiagnostisch onderzoek.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14januari 2015,</para>
        <para>ECLI:NL:CRVB:2015:1, moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag voor het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wij ze dergelijke</para>
        <para>aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden</para>
        <para>beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor</para>
        <para>het voorliggende geval betekent dit het volgende.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Zoals onder 4.1 is overwogen moet de aanvraag van appellant naar zijn strekking worden</para>
        <para>beoordeeld. Ter ondersteuning van zijn aanvraag heeft appellant, onder meer onder verwijzing</para>
        <para>naar de brief van psychiater De Keyzer van 6 oktober 2011, gesteld dat hij vanaf 1990 lijdt</para>
        <para>aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis waardoor hij niet goed kan functioneren. Gebleken</para>
        <para>is inmiddels dat hij vanwege zijn psychische problemen geen enkele vervolgopleiding heeft</para>
        <para>kunnen afronden en moeite heeft met verbale communicatie. Appellant heeft onder meer</para>
        <para>tijdens de hoorzitting opgemerkt dat hij graag een Wajong-uitkering wil ontvangen omdat hij</para>
        <para>dan wellicht bij zijn werkzaamheden wordt begeleid. De aanvraag van appellant moet daarom</para>
        <para>niet alleen worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag die erop is gericht dat het Uwv</para>
        <para>voor het verleden terugkomt van het besluit waarbij zijn aanvraag voor een uitkering op grond</para>
        <para>van de Wet Wajong is afgewezen, maar moet mede worden aangemerkt als een aanvraag</para>
        <para>waarbij om herziening wordt verzocht voor de toekomst.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Op een herhaalde aanvraag is volgens vaste rechtspraak van de Raad artikel 4:6 van de</para>
        <para>Awb van toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde</para>
        <para>omstandigheden naar voren moet brengen. Daarvan moet uiterlijk in de bezwaarfase het</para>
        <para>nodige bewijs worden geleverd. De Raad heeft in de uitspraak van 14 januari 2015</para>
        <para>(ECLI:NL:CRVB:2015:1) aanleiding gezien om deze vaste rechtspraak voor zaken over een</para>
        <para>duuraanspraak nader in te vullen, in die zin dat, indien de aanvraag waarbij is verzocht om</para>
        <para>herziening voor de toekomst uiterlijk in de bezwaarfase toereikend is gemotiveerd, (ook) in</para>
        <para>beroep en hoger beroep voor zodanige motivering nadere bewijsstukken kunnen worden</para>
        <para>aangedragen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Voorts heeft de Raad in de onder 4.4 vermelde uitspraak overwogen dat in een procedure</para>
        <para>als deze (waarin een duuraanspraak aan de orde is) ruimte bestaat voor het benoemen van een</para>
        <para>deskundige. In het geval dat de aanvraag deugdelijk en toereikend is onderbouwd is het</para>
        <para>immers denkbaar dat voor de uiteindelijke beoordeling van de beantwoording van de vraag of</para>
        <para>het eerdere besluit onjuist is, een oordeel van een deskundige onontbeerlijk is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Aan het besluit van 15 oktober 2010 ligt het rapport van verzekeringsarts bezwaar en</para>
        <para>beroep van 31 augustus 2010 ten grondslag. In dit rapport is deze verzekeringsarts, op basis</para>
        <para>van informatie van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en een verslag van een</para>
        <para>psychodiagnostisch onderzoek van februari 2010, tot de conclusie gekomen dat de</para>
        <para>beperkingen die door de primaire verzekeringsarts zijn weergegeven juist zijn vastgesteld.</para>
        <para>Appellant heeft moeite de aandacht vast te houden. Dit past volgens de verzekeringsarts</para>
        <para>bezwaar en beroep bij de diagnose aandachtstekortstoornis. Appellant is aangewezen op werk</para>
        <para>waarin meestal weinig of geen rechtstreeks contact met klanten vereist is en op werk waarin</para>
        <para>meestal weinig of geen direct contact is met patiënten of hulpbehoevenden. Dit in verband</para>
        <para>met de kenmerken van de autismespectrumstoornis waar appellant aan lijdt. De belastbaarheid</para>
        <para>van appellant is weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 augustus</para>
        <para>2010.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft in het rapport van 15 juni</para>
        <para>2012 het oordeel van de primaire verzekeringsarts van 8 november 2011 overgenomen dat de</para>
        <para>specificering van de diagnostiek zoals door psychiater De Keijzer is vastgesteld wellicht van</para>
        <para>belang is voor de behandeling van appellant, maar geen wijziging inhoudt van de aard van de</para>
        <para>belemmeringen. Er is volgens haar geen reden om de problematiek ernstiger te achten dan de</para>
        <para>onder 4.6 genoemde verzekeringsartsen hebben gedaan. Er is volgens haar geen zicht op</para>
        <para>nieuwe feiten of omstandigheden betreffende de gezondheidstoestand van appellant van</para>
        <para>september 2007 tot 2008.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <parablock>
        <para>Ten behoeve van zijn oordeelsvorming heeft de Raad psychiater Sno als deskundige</para>
        <para>benoemd. Aan de deskundige is gevraagd of deze zich kan verenigen met de conclusie van de</para>
        <para>verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juni 2012 dat er vanuit medisch oogpunt geen</para>
        <para>reden is om af te wijken van het oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten of</para>
        <para>omstandigheden, die aanleiding zouden vormen om terug te komen van het besluit van</para>
        <para>weigering van een uitkering per 5 september 2008 op grond van de Wet Wajong.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <parablock>
        <para>Psychiater Sno heeft appellant op 9 januari 2015 onderzocht en zijn bevindingen</para>
        <para>neergelegd in het rapport van 6 februari 2015. Hij heeft te kennen gegeven dat bij zijn</para>
        <para>onderzoek strikt genomen geen nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen. Wel dienen volgens</para>
        <para>hem de ernst en de consequenties van de beschikbare feiten anders te worden gewogen dan</para>
        <para>destijds bij de beoordeling in 2010 is gedaan. Op basis van zijn onderzoek en na uitvoerige</para>
        <para>bestudering van het dossier is hij tot de conclusie gekomen dat de door de verzekeringsarts</para>
        <para>bezwaar en beroep gehanteerde FML-score een onderschatting betekent van de ernst van de</para>
        <para>beperkingen en invaliderende consequenties van de autistische stoornis waar appellant aan</para>
        <para>lijdt. Appellant lijkt zijn eigen mogelijkheden ernstig te overschatten, kan zich als gevolg van</para>
        <para>de autistische stoornis door ongevoeligheid en bij gebrek aan empathie niet inleven in</para>
        <para>problemen van anderen en daarvan geen afstand nemen in gedrag en beleving. Wat betreft het</para>
        <para>beoordelingspunt “eigen gevoelens uiten” heeft Sno opgemerkt dat appellant samenhangend</para>
        <para>met de hiervoor genoemde stoornis en de beperkte intellectuele vermogens vrijwel altijd</para>
        <para>inadequaat zal omgaan met emotionele uitingen van anderen, hetgeen zal leiden tot</para>
        <para>vermindering van zijn handelingsmogelijkheden. Appellant brengt anderen in verwarring door</para>
        <para>onduidelijke, onvoorspelbare of onconventionele wijze van gevoelsuitingen en is meestal niet</para>
        <para>in staat gevoelens te uiten of uit deze ongecontroleerd, ongeacht de reacties van anderen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <parablock>
        <para>In reactie op het deskundigenrapport heeft het Uwv het bij het procesverloop vermelde</para>
        <para>rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 februari 2015 ingezonden en</para>
        <para>vastgesteld dat met de in de FML opgenomen beperkingen in voldoende mate rekening is</para>
        <para>gehouden met de aanwezige medisch objectiveerbare klachten. Het Uwv stelt zich op het</para>
        <para>standpunt dat aan de visie van Sno over de FML voorbij dient te worden gedaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <parablock>
        <para>Namens appellant wordt gepleit voor heroverweging nu inmiddels duidelijk is gebleken</para>
        <para>dat de situatie van appellant ernstiger is dan door het Uwv is vastgesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <parablock>
        <para>Het Uwv heeft bij het bestreden besluit beoordeeld of sprake is van nieuwe feiten of</para>
        <para>veranderde omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van zijn besluit van</para>
        <para>16 juni 2010. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht en op juiste gronden</para>
        <para>geoordeeld dat wat appellant heeft vermeld bij zijn aanvraag van 18 oktober 2011 en naar</para>
        <para>voren heeft gebracht in de bezwaarfase, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of</para>
        <para>veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De deskundige Sno heeft</para>
        <para>desgevraagd in zijn rapport bevestigd dat zich geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben</para>
        <para>voorgedaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <parablock>
        <para>Gezien het onder 4.3 overwogene kan in deze zaak echter niet worden volstaan met de</para>
        <para>beantwoording van de vraag of appellant (tijdig) nieuw gebleken feiten of veranderde</para>
        <para>omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft vermeld. Tevens is de vraag aan</para>
        <para>de orde of er op grond van de onder punt 4.1 genoemde uitspraak van de Raad aanleiding is</para>
        <para>de eerdere weigering aan appellant te blijven tegenwerpen. Die vraag beantwoordt de Raad</para>
        <para>ontkennend.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <parablock>
        <para>De deskundige Sno is tot een andere conclusie over de belastbaarheid van appellant</para>
        <para>gekomen dan is weergegeven in de FML van 31 augustus 2010. De ernst van het ziektebeeld</para>
        <para>is, aldus de deskundige, bij eerdere beoordelingen in 2010 niet voldoende onderkend,</para>
        <para>waardoor achteraf is gebleken dat de schatting van de arbeidsmogelijkheden van appellant op</para>
        <para>een onjuiste medische grondslag berust. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van</para>
        <para>een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De Raad volgt het advies van de</para>
        <para>deskundige Sno. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in de onder 4.1</para>
        <para>genoemde rechtspraak van de Raad betreffende duuraanspraken. Het Uwv dient dan ook te</para>
        <para>beoordelen of appellant rechten ontleent aan artikel 2:3, tweede lid, van de op 1 januari 2010</para>
        <para>in werking getreden Wet Wajong.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <parablock>
        <para>Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad</para>
        <para>aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv opdracht</para>
        <para>te geven liet in rechtsoverweging 4.14 geformuleerde gebrek in het bestreden besluit te</para>
        <para>herstellen. De Raad zal daartoe een termijn van zes weken stellen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van</para>
      <para>deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft</para>
      <para>overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein</para>
      <para>als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) D.J. van der Vos</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.R. van Ravenstein</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>NW</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>