<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2015:3431</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-10-08T12:05:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-10-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/6437 WSF-V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:3431">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:3431</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-10-08T12:00:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2015:3431 Centrale Raad van Beroep , 07-10-2015 / 14/6437 WSF-V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2015:3431:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2015:3431:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 7 oktober 2015</para>
      <para>14/6437 WSF-V</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank </para>
      <para>Den Haag van 25 september 2014, 14/3662 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 4 februari 2015 heeft de Raad het namens appellant door </para>
      <para>mr. K. Bingöl, advocaat, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak </para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr. Bingöl verzet gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23 september 2015. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak van de Raad van 4 februari 2015 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend, was 13 november 2014. Het hogerberoepschrift is gedateerd 10 november 2014 en is blijkens het poststempel op de enveloppe op 21 november 2014 ter post bezorgd. Het is op 24 november 2014 bij de Raad ontvangen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het verzetschrift heeft de gemachtigde vermeld dat appellant niet begrijpt en niet kan achterhalen waarom zijn hogerberoepschrift pas op 21 november 2014 is gestempeld. Volgens de gemachtigde is het hogerberoepschrift ruim op tijd op de post gedaan en is het te laat bij de Raad aangekomen vanwege een gebrekkige postbezorging. Bovendien is appellant van mening dat zijn hogerberoepschrift op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb als tijdig ingediend dient te worden aangemerkt aangezien het hogerberoepschrift binnen een week na afloop van de termijn is ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is een (hoger)beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Volgens vaste rechtspraak (ook) van de Raad wordt bij de vaststelling van de dag waarop een brief ter post is bezorgd, uitgegaan van het op de enveloppe geplaatste poststempel, tenzij de verzender aannemelijk maakt dat de brief op een eerdere datum ter post is bezorgd. De enkele verklaring van de gemachtigde dat appellant het hogerberoepschrift tijdig heeft gepost, is daarvoor niet toereikend. De Raad merkt ten overvloede op dat het hogerberoepschrift ook niet binnen een week na afloop van de termijn bij de Raad is ontvangen. Het hogerberoepschrift is dus niet tijdig ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring desondanks achterwege, indien - kort gezegd - de indiener van het (hoger)beroepschrift niet kan worden verweten dat de termijn is overschreden. Volgens vaste rechtspraak (ook) van de Raad is daarvan geen sprake, als de indiener van het (hoger)beroepschrift heeft gekozen voor </para>
      <para>niet-aangetekende verzending daarvan. De gevolgen van die keuze komen voor risico van de indiener, in dit geval (de gemachtigde van) appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond wordt verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>7 oktober 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) T.G.M. Simons</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) D.W.M. Kaldenhoven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JvC</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>