<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2015:319</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T01:13:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-02-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr"> 14-2121 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ABkort 2015/76</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:319">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:319</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-02-10T19:03:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2015:319 Centrale Raad van Beroep , 10-02-2015 /  14-2121 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2015:319:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Appellante heeft bij de rechtbank niet binnen de termijn waarbinnen het griffierecht moest worden voldaan om uitstel van betaling verzocht. Indien een indiener van een (hoger) beroepschrift binnen de gestelde termijn een beroep op betalingsonmacht doet, wordt hem de gelegenheid geboden een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht in te dienen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2015:319:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/2121 WWB, 14/2384 WWB, 14/2385 WWB, 14/2386 WWB, 14/2387 WWB</para>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van </para>
    <para>18 maart 2014, 13/5885, 13/5886, 13/7070, 13/7072, 13/7075 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Appellante heeft hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Appellante is verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante </para>
        <para>niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante het griffierecht niet heeft betaald, terwijl niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In hoger beroep kan slechts de vraag aan de orde komen of appellante tijdig de griffierechten in de aan de orde zijnde zaken heeft betaald en of de rechtbank in dat verband het beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat ze op 26 januari 2014 om uitstel van betaling van het griffierecht heeft verzocht en dat haar de toegang tot de rechter is belemmerd doordat het verzoek om bijzondere bijstand voor griffierecht is afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <parablock>
        <para>In hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat appellante redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Bij brieven van 31 oktober 2013 en </para>
        <para>16 december 2013 heeft de rechtbank appellante erop gewezen dat zij het griffierecht nog niet had betaald en is aan haar een termijn van vier weken, dus tot 29 november 2013 respectievelijk 14 januari 2014, gegeven waarbinnen zij het griffierecht diende te betalen. Appellante heeft bij de rechtbank niet binnen de termijn waarbinnen het griffierecht moest worden voldaan om uitstel van betaling verzocht. Indien een indiener van een (hoger) beroepschrift binnen de gestelde termijn een beroep op betalingsonmacht doet, wordt hem de gelegenheid geboden een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht in te dienen. Van een tijdig beroep op betalingsonmacht is in dit geval echter geen sprake geweest. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Voor zover appellante betoogt dat de hoogte van het griffierecht in haar geval de toegang tot de rechter belemmert en dat dit strijd oplevert met artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden, slaagt dit betoog niet. Niet alleen heeft appellante op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zij in onmacht verkeerde om het griffierecht tijdig te voldoen, maar ook al omdat zij zich niet binnen de uiterlijke betalingstermijn op betalingsonmacht heeft beroepen. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het geheven griffierecht bij de rechtbank van € 44,- appellante wezenlijk heeft belemmerd in haar recht op toegang tot de rechter. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>10 februari 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) A.B.J. van der Ham</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) M.S. Boomhouwer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>HD</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>