<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2015:2568</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-08-04T13:56:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-07-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/1531 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:2568">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:2568</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-08-03T10:24:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-08-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2015:2568 Centrale Raad van Beroep , 31-07-2015 / 14/1531 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2015:2568:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoogte loongerelateerde WIA-uitkering. Inkomen uitarbeid. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling zijn van de gronden van het beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze gronden besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze gronden niet kunnen slagen. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2015:2568:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/1531 WIA </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 31 juli 2015</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van </para>
    <para>25 februari 2014, 13/2685 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant ontvangt vanaf 4 september 2010 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Hij is gedeeltelijk werkzaam gebleven bij zijn werkgever. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij besluiten van 11 januari 2012, 20 maart 2012, 10 april 2012 en 3 juli 2012 heeft het Uwv in verband met inkomsten uit arbeid de hoogte van appellantes uitkering over de maanden december 2011 tot en met maart 2012 en over de maand mei 2012 vastgesteld. Het bezwaar hiertegen is in eerste instantie niet-ontvankelijk verklaard, maar na een procedure bij de rechtbank heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 5 september 2013 (bestreden besluit) na een inhoudelijke behandeling ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is in de besluiten waartegen het bezwaar is gericht op inzichtelijke en juiste wijze de gevolgen van appellantes verdiensten voor de hoogte van de uitkering uiteengezet. </para>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat in een eerdere uitspraak van de rechtbank van 26 juni 2013 (zaaknummer 11/578) is overwogen dat de werkgever met ingang van 1 januari 2011 eigenrisicodrager is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond wordt gezien voor twijfel aan de juistheid van de door het Uwv gemaakte berekeningen van de hoogte van zijn uitkering. Tot slot is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen sprake, nu de fase van bezwaar en beroep niet langer heeft geduurd dan de op grond van vaste rechtspraak van de Raad maximaal toegestane termijn van twee jaar. </para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant zijn stelling herhaald dat niet duidelijk is of zijn werkgever eigenrisicodrager is. Verder heeft hij aangevoerd dat niet kan worden nagegaan of de berekeningen van de hoogte van zijn uitkering juist zijn, omdat het Uwv niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is volgens appellant wel overschreden. </para>
      <para />
      <para>4. De Raad is van oordeel dat de gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd in essentie een herhaling zijn van de gronden van het beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze gronden besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze gronden niet kunnen slagen. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.</para>
      <para />
      <para>5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.S. van der Kolk en</para>
      <para>G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) R.E. Bakker</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) H.J. Dekker</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>UM</title>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>