<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2015:1656</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-05-29T11:47:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-05-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-05-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-3937 ANW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:1656">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:1656</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-05-28T15:17:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-05-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2015:1656 Centrale Raad van Beroep , 08-05-2015 / 13-3937 ANW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2015:1656:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanvraag om postume deelname aan de vrijwillige verzekering voor de ANW. De echtgenoot van appellante heeft zich na het einde van de verplichte verzekering in 2005 niet tijdig aangemeld voor de vrijwillige verzekering en ook na de toekenning van de WAO-uitkering in 2008 niet binnen een redelijke termijn verzocht om toelating. Appellante heeft eerst in februari 2012 verzoek gedaan: niet tijdig en niet verschoonbaar.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2015:1656:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>13/3937 ANW </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 8 mei 2015</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van </para>
    <para>27 juni 2013, 12/4724 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Appellante heeft hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De Svb heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2015. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenens.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante woont in Marokko. Haar echtgenoot is [in] 2011 in Marokko overleden. De echtgenoot van appellante heeft in Nederland gewoond en woonde sinds 29 januari 2005 in Marokko. Aan hem is op 1 augustus 2008 met terugwerkende kracht vanaf 21 maart 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In februari 2012 heeft appellante de Svb verzocht om haar echtgenoot postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij besluit van 27 april 2012 heeft de Svb de aanvraag om postume deelname aan de vrijwillige verzekering afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij beslissing op bezwaar van 9 augustus 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 27 april 2012 ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de artikelen 63a en 63b van de ANW wordt geconcludeerd dat de echtgenoot van appellante niet postuum mag deelnemen aan de vrijwillige verzekering, omdat niet binnen één jaar na de beëindiging van de verplichte verzekering van de echtgenoot op 29 januari 2005 is verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering. </para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is geoordeeld dat de aanvraag tot deelname aan de vrijwillige verzekering niet binnen de wettelijke aanmeldingstermijn is ingediend, en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten. </para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar echtgenoot dient te worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De Raad kan zich geheel vinden in wat de rechtbank heeft overwogen. De echtgenoot van appellante is vanaf zijn terugkeer naar Marokko op 29 januari 2005 niet meer verplicht verzekerd geweest ingevolge de ANW. Het feit dat aan de echtgenoot op 1 augustus 2008 met terugwerkende kracht vanaf 21 maart 2004 een WAO-uitkering is toegekend kon er niet toe leiden dat hij vanaf 29 januari 2005 (weer) verplicht verzekerd werd voor de volksverzekeringen, omdat met ingang van 1 januari 2000 artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1999, 746) was vervallen. Op grond van dit artikel waren buiten het Rijk wonende personen die een </para>
        <para>WAO-uitkering ontvingen, voor 1 januari 2000 onder bepaalde omstandigheden verplicht verzekerd ingevolge de AOW en de ANW. De echtgenoot van appellante heeft zich na het einde van de verplichte verzekering in 2005 niet tijdig aangemeld voor de vrijwillige verzekering en ook na de toekenning van de WAO-uitkering in 2008 heeft hij niet binnen een redelijke termijn verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering. Appellante heeft eerst in februari 2012 verzocht om haar echtgenoot postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het verzoek niet voldoet aan de wettelijk voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering. Door appellante is niets aangevoerd dat zou kunnen meebrengen dat de niet-tijdige aanvraag om deelname aan de vrijwillige verzekering verschoonbaar is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) T.L. de Vries</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) P. Uijtdewillegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JvC</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>DÉCISION</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) confirme la décision attaquée. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Par conséquent, décidée par T.L. de Vries en présence de P. Uijtdewillegen en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 8 mai 2015. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>